Sneak peek

Het is altijd deel van “ons plan” geweest om de jardin op één of andere manier open te stellen voor bezoekers en gasten.  De  exacte formule staat nog niet helemaal op punt , dat wordt ons winterproject, maar  een link met onze dada’s, permacultuur en ons bescheiden Keniaans project zal er zeker deel van uit maken.   De   lente en  zomer  hebben we dan ook   volop gebruikt   om  de “accommodatie”  rond  te krijgen, zeg maar.

Nee, helemaal af is het nog niet, maar we zijn apetrots op wat we de afgelopen zes maanden voor elkaar hebben gekregen :  we gebruiken voortaan uitsluitend regenwater,  de badkamer is eindelijk die naam waardig, twee extra kamers konden in gebruik genomen worden, zonnepanelen produceren sinds enkele dagen een groot deel van onze elektriciteit, de volledige elektrische installatie diende  en passant  vernieuwd (pff, ik ruim nog steeds het stof), de jardin kreeg zijn eigenste persoonlijke  toe- en ingang en de  extra (gasten)kamer die we bij wijze van inside joke  “dispensaire “* noemen, kreeg  een eigen trap met terras.   Een plek van waaruit je  de vogels die de jardin aandoen, buitengewoon goed  kan gadeslaan.   “As we speak write ” wordt  helemaal achter in de tuin de  kers op de taart gezet. Voor deze kers sneuvelden helaas een aantal bomen en struiken, maar ze krijgen uiteraard een nieuwe functie, als stekmateriaal, brandhout, insectenhotel, vlechtmateriaal, bladaarde, composttoilet materiaal, mulch, houthakselpad, takkenril,…

Enkele impressies badend in  herfstlicht .

Wordt uiteraard vervolgd.

 

(*) dispensaire:  geen vertaling  beschikbaar van frans naar nederlands.

  • uitgebreide vertaling : dispensé : vrijgesteld – aire : territorium , leefgebied 
  • verwijzing naar een gedenkplaat gezien in een Brussels café met de vermelding van een   “dispensaire des artistes”  opgericht  door Koningin Elisabeth .
  • Synoniemen voor “dispensaire”: infirmerie; hôpital; hospice; asile; clinique; maternité; sanatorium 

 

Advertenties

Missers van het seizoen (1)

‘ T is niet omdat een mens  al vier jaar een tuin heeft en er sinds begin dit jaar een tuinblog op nahoudt, dat men zich een volwaardig  en succesvol tuinier kan noemen , dus dacht ik, in plaats van mijn prachtige tomaten , overvloed aan courgettes (iemand nog een leuk recept ?) en kleurrijke slaatjes te showen , laat ik het eens hebben over de geflopte projectjes, de  faliekant afgelopen experimentjes en de niet meer voor herhaling vatbare ideetjes.  Mijn eerste misser  hoef ik  niet ver te zoeken. Onderstaand stukje staat al maanden in mijn concepten, tijd om het eens boven water te halen  ( belabberde woordspeling, ik weet het).

“Gley” of het vijvertje zonder folie.

Nog voor ik een tuin had wou ik een vijver.  Water zorgt voor extra leven en  tegelijkertijd ook rust. Toen ik nog in de grote stad woonde had ik met een tweetal cementemmers, wat stenen en wat plantjes, onder het mom dat dat leuk was voor de jongens,  een klein waterpartijtje in elkaar geknutseld. Uiteindelijk bleek dat het vooral mama was  die zich er mee kon uitleven. Uren kon ik naar het waterleven staren, want hoe klein ook, er zat leven in. Watervlooien, kevertjes, libellenlarven, zelfs visjes.  Samen met mijn jongens waren we daarvoor gaan vissen in de vijver in het park. Toen we naar de jardin verhuisden werden de vijvertjes ontmanteld en de visjes door een vriend als aquariumdieren “gered”.  Sindsdien blijft het verlangen naar een vijver. Alleen zijn er altijd andere prioriteiten,  een deftige badkamer bijvoorbeeld en regenputten en …  Ik ben een beetje koppig en ook ongeduldig, maar ook rap content, al zeg ik het zelf. Het moet niet groot zijn, dat vijvertje en het zal ook niets kosten en weet je wat, ik zal er niemand mee lastig vallen, ik doe dat wel allemaal zelf. Gewoon een kleintje, midden in de moestuin, voor de kikkers en de padden, die eten slakken en ik kan er waterkers in kweken. Zo moeilijk moet dat toch niet zijn, een gat in de grond graven en zie  :

P1010808 (1).JPG

Nee, zo naïef ben ik niet. Tenzij er genoeg klei in de grond zit en je de grond voldoende kunt samendrukken, door er bijvoorbeeld met zwaar materiaal over te rijden,  kan je er misschien in slagen om  een poel waterdicht te krijgen. Een putje in leemgrond met een diameter van amper 1m en 75 cm diep krijg je niet waterdicht door er wat in te staan springen met rubberen laarzen.  In de meeste gevallen moet die waterdichte laag op één of andere manier aangebracht worden.  Folie, beton, betoniet, een voorgevormde plastieken vijver, geen denken aan ! Zelfs het alternatief met kattengrit wil ik niet uitproberen.  Ik wil dit doen met natuurlijke materialen, liefst van eigen erf.  Dus experimenteren we met “gley”.  De theorie is simpel : je creëert een ondoordringbare laag door organisch materiaal onder anaerobe omstandigheden te laten “rotten”. Het is een techniek die uit Rusland  zou komen en wordt toegepast met verse mest, daarbovenop maaisel en dan een laag aarde, alles netjes aangestampt en na een aantal weken is de put waterdicht. Ook de wijze waarop de mysterieuze “dew ponds”  in Groot-Brittanië werden gemaakt zou op hetzelfde principe steunen. Mysterieus, omdat de putten zich zouden vullen met water van mist en dauw en ze gemaakt werden door “the gang of dew  pond makers” die de knepen van hun vak angstvallig  geheim hielden.  We hoeven het zelfs niet zo ver te zoeken. Als kind ving ik kikkervisjes in de dichtstbijzijnde “koeienput”,  gewoon een  put waar koeien konden drinken.  De boeren die zo’n put groeven, die hadden ook geen folie, maar konden op hun dieren rekenen die met hun mest en veelvuldig  hoefgetrappel zo’n put zelf waterdicht kregen.

Ik heb geen mest en ook geen koeien, laat staan hoeven. Wel heb ik een composthoop, waar ik tijdens de winterdagen te weinig bruin materiaal heb aan toegevoegd en die daardoor een beetje naar mest ruikt. Ik heb ook een zware paal, één hoef dus, daarmee kan ik  de compost op de vlakke delen aanstampen. Voor de verticale delen wordt het adem inhouden en  compost, of  liever het half verteerde spul wat er voor moet doorgaan, aandrukken met de hand.  Heb ik u al gezegd dat ik ongeduldig ben ?  Ik kieper er meteen een aantal emmers water in, dan is het meteen anaeroob, toch ? Ik installeer mij in het zonnetje en bewonder mijn werk. Het water komt echter niet tot rust, het lijkt wel alsof het vijvertje een  hartslag heeft, het is de zuigende kracht van de aarde. Experiment mislukt ? Bwa, de volgende dag staat er toch nog steeds een bodempje water in de poel.  Die koeien doen dat ook niet in één dag, dus bedenk ik dat als ik iedere dag een tijdje een éénbenige koe imiteer,  het met wat geduld en potenkracht wel moet lukken.   U kunt zich misschien voorstellen hoe zoiets gaat. Mijn imitatiesessies worden iedere dag een beetje korter. Na een dag of drie hou ik het voor bekeken. “Opnieuw uitgraven en bekleden met plastic” oppert de man wanneer ik hem inlicht over mijn viervijfde mislukking. Zoals ik al zei, ik ben koppig en besluit mijn huiswerk over te doen. Het belangrijkste lijkt het creëren van een anaerobe omgeving, in het Russische voorbeeld wordt daarvoor een laag aarde gebruikt, maar mijn mini-vijvertje is al niet diep. Afdekken met plastic, papier of karton wordt ook vermeld. Ik beslis om voor nat papier te gaan.  De laag aangestampte compost laat ik zoals ze is. Daarover gaat een dikke laag gemaaid gras. Doordat het gras al wat begint te composteren kan ik het makkelijk op de zijwanden van de vijver plakken en druk het zo hard aan als ik kan. Natte vellen papier worden erover gedrapeerd tot alles mooi bedekt is. Komt dat opgespaarde  inpakmateriaal toch nog eens van pas.  In het lentezonnetje droogt het  natte papier echter zienderogen op en komt meteen los. Dan toch maar een laagje aarde.  De leem die  ik onderuit het vijvertje heb gehaald vermeng ik met water en lijm bij wijze van spreken de papieren laag er mee vast. Nu komt het moeilijkste : 2 tot 3 weken geduld !

“Doe dit niet tijdens het regenseizoen” stond er op één van de sites. Twee dagen later regent het de hele dag door evenals de daaropvolgende week en de week daarop.  Ik lees ook dat de anaerobe laag vochtig moet blijven, dus bekijk ik het positief en gok ik erop dat de regen dat deel van de klus alvast verzekert. Mijn grootste vrees is dat de regen de leem zal wegspoelen, maar bij een avondlijke inspectie blijk dat mee te vallen. Er lijkt zelfs al wat meer water in het poeltje te staan en dus markeer ik het waterniveau op een stok. Iedere dag meet ik netjes de hoeveelheid water.  De regen blijft vallen maar het waterpeil in de bodem van het poeltje verandert nauwelijks.  Aan het einde van week 1 begin ik al aan een herbestemming voor “het gat”  te denken en  de hoop om deze techniek later toe te passen op grotere schaal begint te wankelen. Nog wat geduld, hou ik mezelf voor.

En wat gebeurde er toen ?

Geduld was blijkbaar niet hetgeen nodig was, door de renovatiewerken   verdween mijn vijvertje  op de achtergrond.  Begin juli , dacht ik er alsnog een cementemmer of folie in te plaatsen.

DSC_0012.JPG

maar ook dat kwam er niet van , met als resultaat :

DSC_0129.JPG

een boobytrap voor eventuele ongewenste bezoekers.

En wat hebben we geleerd ?

Dat technieken voor grotere projecten  niet noodzakelijk  ook  geschikt zijn voor hele kleintjes en dat improviseren met materialen zo zijn gevolgen heeft.   Dit putje zal uiteindelijk toch een folie laagje krijgen. Mijn verlangen naar een deftige vijver is daarmee nog niet gestild. Binnenkort komt de regenputman terug langs met zijn graafmachine, voor een ander project. Terwijl hij er dan toch is  kan hij een grotere put graven op een lager gelegen deel in de tuin . Ik vermoed/hoop  dat er genoeg klei in de grond zit zodat we  folie alsnog achterwege kunnen laten … en lukt dat niet dan noemen we onze vijver toch gewoon poel.

P1020198.JPG

genoeg klei in de ondergrond ?

Rondje voedselbos eind april (2)

Beloofd is beloofd. De kruidlaag van de jardin  kon u al ontdekken in deel 1,  tenminste in het deel van de tuin dat ik tot voedselbos heb omgedoopt, want het gaat me in deze log vooral over planten die het goed doen in de schaduw of halfschaduw en die op dit moment van de lente zichtbaar zijn. Laten we het wat dieper in de grond zoeken.  Momenteel  heb ik nog niet zoveel eetbare knollen,  bollen of wortels in de jardin, buiten aardpeer,  look,  en het alom tegenwoordige nagelkruid.   Ik ben wel aan het experimenteren geslagen.  De look is dit jaar terechtgekomen rond de fruitbomen. Vorig jaar oktober was ik al van plan de moestuin (voor éénjarige groenten) voor de winter her in te richten , dus moest ik de look ergens anders kwijt.  Alliums zouden een goede companion zijn voor fruitbomen omdat ze ongedierte op een afstand houden en bijgevolg kom je nu op verschillende plaatsen in de tuin, aan de rand van de boomspiegels  een groepje look tegen. Ik laat er vast hier en daar nog wat staan, benieuwd naar wat er gebeurt als je ze behandeld als vaste plant.

Om het mezelf gemakkelijk te maken  en niet onnodig de grond te moeten verstoren, heb ik vlakbij de aardperen, waar nu  natuurlijk nog niets van te zien valt, ook voor het eerst crosne geplant.  Japanse andoorn dus, en die eerste blaadjes  lijken zo hard op die van de weelderig aanwezige bosandoorn, dat ik blij ben dat ik ze niet ergens in de bosrand heb gezet. Ik ken mezelf, het zou niet de eerste keer zijn dat ik iets weghaal wat ik eerst zelf heb geplant of gezaaid.  Het wordt een triootje, want ernaast komt oca of oxalis tuberosa , maar die staat op aanwijzing van de kweker nog in de serre voor te groeien.  In principe zouden ze alledrie in de grond kunnen blijven en kan je ’s winters oogsten wanneer je ze ook echt wil eten. Ik hoop maar  dat die twee laatste niet zo hard in de smaak vallen van de woelmuizen als aardpeer, want  hoe verder de winter vordert, hoe minder aardpeer er hier te vinden is.

P1010911.JPG

Iets verder in de tuin, aan de rand van het gazon een ander nieuwkomertje: de aardkastanje (Bunium bulbocastanum)  een inheemse schermbloemige die met uitsterven is bedreigd.  Het fluitekruid  doet het goed op deze plek, dus gok ik er op dat dat voor neef aardkastanje ook geldt.

P1010884.JPG

Dan zijn er natuurlijk de klimmers. Ook die bevinden zich niet echt in het voedselbos. De kiwi en de druif die overwoekeren twee kleine bijgebouwtjes vlakbij de achterdeur.  De kiwi mag dan wel tegen wat schaduw kunnen , maar de druif heeft absoluut zon nodig.  Wel is er een andere klimmer, die wat schaduw verdragen kan, maar er alles aan zal doen om het licht te bereiken : hop. Neen, nog geen bier gebrouwen met de bellen en het staat ook niet meteen op ons projectenlijstje.   Helaas  was ik ook dit jaar opnieuw te laat  om de scheuten te bleken zodat we ze konden proeven. Tja zo’n voedselbos, je moet het voortdurend in de gaten houden.  In het kamp van de eetbare klimmers is de hoop nu gevestigd op de zelf gezaaide kaukasische klimspinazie  of Hablitzia tamnoides.  De zaailingen deden het zo goed dat ik ze op verschillende plaatsen heb uitgeplant, hieronder zie je er eentje aan de stam van de gingko, vlabij  het triootje knollen die ik hierboven beschreef. Veel klimmen doet hij nog niet en of hij lekker is, dat zal de tijd nog moeten uitwijzen, wel is het me opgevallen dat de zaailingen gespaard bleven van slakkenvraat.

Tot zover de klimmers, op naar de struiklaag. Ik moet toegeven dat de combinatie met schaduw  wat moeizamer verloopt.  Van de bessen is de zwarte trosbes (ribes nigrum) de meest productieve in de schaduw, maar op de  overige telgen uit de ribesfamilie die mijn voedselbos bevolken vind ik amper bloesems, laat staan bessen, waardoor ik eigenlijk niet weet wat het voor variëteiten zijn.  Ik  heb deze winter van alle planten stekjes genomen in de hoop dat ik met wat geduld toch nog te weten kom wat het zijn. Ook duiken er steeds jonge ribesplantjes op aan de rand van  het bos. Ze mogen van mij gerust blijven staan, als ze het daar naar hun zin hebben, als ze ook nog beginnen dragen is dat mooi mee genomen.  De twee blauwe bosbessen kon ik wel determineren maar slechts op één vond ik één enkel bloemtrosje en de oogst bleef na drie jaar beperkt tot drie besjes. Ook van deze twee heb ik stekjes genomen met de bedoeling ze ergens anders in de tuin uit te proberen.

Pas op, aan bessen geen gebrek in de jardin. Ik weet amper wat aan te vangen met de vele frambozen en witte trosbessen  die  terug te vinden zijn  op wat zonnigere plaatsen in de tuin.   Toch zijn er nog nieuwkomers :  een honingbes  klaar om uitgeplant te worden,  die krijgt samen met zijn partner (voor de kruisbestuiving) een zonniger plaatsje, naast de vijg en in gezelschap van een drietal uit zaad opgekweekte gojibessen en een hazelaar zaailing waarvan ik hoop dat hij de enorme hazelnoten van zijn mama heeft geërfd.

Tot slot zijn er nog stekelige exemplaren : een szechuanpeperboompje , pas aangeplant dus hij moet nog bewijzen dat hij er niet om maalt om in de schaduw te vertoeven. Eentje die zeker niet van de schaduw houdt, is de  driebladige winterharde citroen (Poncirus trifoliata). Ik ontdekte pas recent wat dat stekelige bijna bladloze ding midden in het bos was.  Je eigen citroenen kweken, het leek me wel iets en bij het bestuderen van foto’s bleek  dat ik er al eentje had staan . Nee, citroenen heb ik er niet van geplukt,  kan moeilijk anders want deze staat echt wel in diepe schaduw en wordt  daarmee de volgende stekjes kandidaat. Toch is het de eerste keer dat ik er  bloemknoppen op ontdek en ook viel het me op dat er enkele weken geleden veel meer blad aan hing.  Vooral het krentenboompje en de twee gele kornoeljes gunnen hem later op het jaar geen straaltje zon meer, maar zelf zorgen die drie wel voor een enorme hoeveelheid bessen, netjes verdeeld over het seizoen. De tweede gele kornoelje rijpt zelfs later af dan de eerste, waardoor er bessen voorradig zijn van half augustus tot diep in september.

Tot zover dit rondje voedselbos, we komen later op het seizoen zeker nog eens terug, om de evolutie  tonen en ook de bomen en planten aan bod te laten komen die tot nu toe onvermeld bleven.  Toch wil ik u nog deze tip mee geven, mocht u  zelf een voedselbos  plan(t)(n)en voor uw nageslacht, hou  vooral rekening met de volwassen  omvang van bomen en struiken, het zou jammer zijn dat er door lichtgebrek na enkele decennia niets meer te plukken valt.

 

 

 

Rondje voedselbos eind april (1)

Ik vertelde u al waarom ik vind dat onze siertuin ook voor voedselbos  kan doorgaan, zelfs al was het oorspronkelijke ontwerp niet als voedselbos bedoeld.  De grootste blikvangers zijn natuurlijk de fruitbomen.  Madame Blairon, de ontwerpster van de tuin,  heeft wat dat betreft, jaren geleden, uitstekende keuzes gemaakt. Zowel de appels, peren en pruimen, allemaal kruisbestuivers, volgen elkaar netjes op zowel qua bloei als oogst.  Momenteel staat de wilde appel  volop te bloeien terwijl zijn buur, een oude Jacques Lebel (althans dat denk ik toch) pas over een paar weken er zal uitzien als een gigantische barbapapa.  Dit productieve oudje negeert daarbij ook nog eens alle beweringen over de negatieve invloed van zijn linker en rechter buur, de notelaars en van beurtjaren heb ik ook nog niet veel gemerkt. Iets verder vindt  je de eerste bloeiknoppen in een rode sierappel,  het jonge blad, de bloei en ook de appeltjes zijn diep rood en hoewel een sierappel, zorgen deze appeltjes voor een uitzonderlijke lekkere toets wanneer je ze verwerkt in appelsap.

Een voedselbos is geen boomgaard en  daarom wil ik u even meenemen om te zien hoe het op dit moment staat met die  andere groeilagen. In een pas aangelegd voedselbos heb je nog volop licht en kan je nog alle kanten uit met de verschillende groeilagen. Wanneer de  boomlaag een volwassen stadium heeft bereikt, zoals in de jardin, heerst de schaduw, waardoor het introduceren van nieuwe eetbare of nuttige soorten vooral een  zoektocht is naar de geschikte plaatsjes.   De kruidlaag bevatte al een aantal bruikbare  planten zoals citroenmelisse , wilde marjolein  (in tegenstelling tot wat je zou verwachten doet deze het hier uitstekend in de halfschaduw) varens, daslook, look-zonder-look en bosaardbeien. Ze voelen zich er duidelijk  goed want ieder jaar zie ik er meer.

Zelf voeg ik er, geleidelijk aan, nog meer soorten aan toe in de hoop zo de overheersende grondbedekking van gele dovenetel, brandnetel, zevenblad,hondsdraf, kleefkruid en klimop wat diverser maken.  Zo heb ik met succes zwartmoeskervel (Smyrnium olusatrum) geïntroduceerd. Misschien staat hij iets te veel in de schaduw, want bloeien heeft hij tot nu toe niet gedaan, maar in het vroege voorjaar is het een plezier  om die groene bos te zien blinken op een nog overwegend bruin gekleurde bosbodem, later in de zomer verdwijnt hij bijna helemaal.  Toen ik ontdekte dat je hostascheuten en  bloemen kon eten heb ik meteen een aantal exemplaren gescheurd en ze lijken aan te slaan.

De nieuwkomers dit jaar, in het bos althans,  zijn witte klaverzuring  (Oxalis acetosella) en lievevrouwebedstro (Galium odoratum), duimen maar dat hun plaatsje hen bevalt.

Nu hebben we het nog niet gehad over de struiklaag, de klimmers en wat zich onder de grond aan lekkers bevindt, maar de zon schijnt en de tuin roept, dus brei ik morgen nog een vervolgje aan deze log, beloofd !

Van bramen en mulchen met takken.

P1010650.JPG

De jardin  was vroeger  een gewoon  boerenerf,  op traditionele wijze afgezoomd door knotwilgen, in ons geval op het westen.  De laatste keer dat die wilgen werden geknot moet zo’n 30, misschien wel 40 jaar geleden geweest zijn.  Knotwilgen met bovenop de knot vijf tot zeven meterslange dikke stammen,  blootgesteld aan stevige zuidwestenwinden, dat is er gewoon om vragen.  Vorige jaar knakten er bij een storm aan het begin van de zomer een zestal stammen, een maand later volgenden er nog eens vier. Het hout van de stammen en dikkere takken, daar wisten we wel raad mee,  verwarmen  en koken doen we uitsluitend met hout.  De  hoeveelheid  dunnere takken en bladeren daarentegen  was enorm. Te veel om  te dumpen in de kleine wildernis aan het einde van de tuin, zoals we meestal doen met snoeisel. Verhakselen lukte ook niet, de takjes waren nog te soepel en het zou een eeuwigheid geduurd hebben. Als je volledige achtertuin herschapen is in een slagveld van takken dan wil je dat gewoon zo snel mogelijk weg.

Mulchen met takken

Nu onder die hoge (ex)knotwilgen groeit er weinig gras.  In het voorjaar vind je er nog speenkruid, sleutelbloemen, narcissen en fluitekruid, maar tegen dat de zomer uit de startblokken is geschoten, gedijt vooral de brandnetel er uitstekend en bramen natuurlijk. Die eeuwige bramen, waardoor het bijna onmogelijk is om er te maaien. Ik herinnerde me een  log waar ze er in slagen om van een hoop takken groentebedden te maken, dus besloot ik  tak en blad in een dikke laag onder de knotwilgen te leggen en wat aan te stampen.  Op zijn minst zou ik daarmee de brandnetel al wat in kunnen tomen. Of het idee zou lukken en wat ik er later mee zou aanvangen zouden we nog wel zien. Ook de bramen verdwenen op die manier uit het zicht, niet dat ik verwachtte er op die manier van verlost te zijn. Hoe pril en theoretisch mijn tuinkennis ook mag zijn, dat het krengen zijn die je enkel weg krijgt door ook de wortels uit te graven en dat er meestal veel wortels zijn, gezien ze de grond maar moeten raken om wortel te schieten, dat was me al duidelijk geworden.  De man vond  mijn “takken border” maar niets, maar liet me begaan.  De zomer verstreek en aan de takken dacht ik niet echt meer, behalve wanneer de man er bij het maaien langs moest en ik hem iedere keer  binnensmonds  hoorde brommen op mijn bizarre permacultuur experimenten.

Bramenalarm

Nu het zonlicht ons  opnieuw naar buiten roept en de leegte van de winter ons alle hoekjes van de tuin laat herontdekken, vallen die bramen weer extra op.   Hun roodgroen overblijvende blad steekt af tegen de bruine takken van viburnum en haagbeuk en stilletjes aan proberen ze ook het gazon, de bessenstruiken en de compostbakken voor zich  te winnen.  Om te voorkomen dat ik straks bij de jaarlijkse wintersnoei,  het snoeisel vermeng met stukken braam en ongewild de verspreiding van die geniepige monstertjes een handje help,  startte ik de snoeiwerken dit jaar dan maar met een apart rondje “ontbramen”,  liefst met wortel en al, waar mogelijk.  Sepp Holzer, een bekende Oostenrijkse permacultuur boer, beweert dat enkel varkens  in staat zijn bramen uit te roeien, doordat ze de wortels  opgraven en opeten. Varkens op onze jardin loslaten ? Niet echt wat ik in gedachten heb,  dan maar zien hoe goed ik zelf het varken kan uithangen.

Valt dat tegen !  Al na een uurtje vechten met meterslange takken, die in mijn haren en kleren blijven haken of zich ongemerkt rond mijn voeten winden en me doen struikelen, in mijn gezicht zwiepen en met hun venijnige kleine doorntjes toch nog mijn handschoenen en jeans weten te perforeren, heb ik veel zin om er de brui aan te geven. Vooral dat wortels graven is er te veel aan.  Probeer je ze uit te trekken, dan breken de takken gegarandeerd af net boven de wortel, waardoor je ze amper nog kan lokaliseren terwijl je weet dat die nieuwe scheuten al klaar zitten om met dubbele kracht terug te komen. Ofwel blijf je uitlopers volgen en voor je het weet, zit je klem tussen de takken van die enorme gele kornoelje of in een yogaknoop rond het krentenboompje. Ik word er zowaar moedeloos van en besluit een rondje te gaan wandelen  in de hoop dat vers groen of pas ontloken bloemen me de energie zullen geven verder te gaan. Helaas , overal waar ik kijk, zie ik alleen maar oude verwilderde struiken, massa’s nog te doen snoeiwerk en nog meer bramen.

Dipje

Hoe krijg ik deze tuin ooit nog terug in een staat het bijvoegelijk naamwoord “fabuleux” waardig? Hoe ga ik ooit plaats kunnen maken voor al die fruitsoorten, kruiden en bloemen waarvan het zaad ligt te wachten in gelabelde zakjes of op mijn verlanglijstje staan?  Ik sus me met de gedachte dat over een aantal maanden al dat zogenaamde werk weer mooi verstopt zal zitten onder uitbundig blad. Ik moet geduld hebben. Als ik iedere dag een uurtje besteed aan het vrijmaken van een klein stukje,  zal ik er na verloop van tijd ook wel komen. Ik leg mezelf op om nog minstens een uurtje  verder te “ontbramen”, alles wat weg is, is weg en ik begin er terug aan bij de tot nu toe vergeten “takkenborder”.  Zoals verwacht hebben de bramen zich ook hier een weg weten te banen in de wirwar van takken. Ik zucht, houdt dit dan echt niet op.  Ik  pak een aantal bramentakken stevig vast en na één ruk, zonder het goed te beseffen wat er gebeurt, staar ik naar een bramenwortel . Nee , echt ! Ik  volg de tak naar een volgende wortel en lap, opnieuw haal ik de wortel boven zonder enige moeite. Ha, ha, niks varkens  ! Eat that, Sepp Holzer !  Als ik wat takken aan de kant duw, zie ik mooie rulle aarde, losgewerkt door al het bodemleven, je  kan er meteen  in  planten als je wil.  Mijn oog valt op de narcissen die er blijkbaar niet van weerhouden  werden de weg naar het licht te vinden door de takkenhoop heen. Brandnetels zijn er nog wel, maar een pak minder dan vorige jaren en wat ik aan brandnetel zie, kan ik met hetzelfde gemak als de  bramen met wortel en al uittrekken.

P1010651

Opeens is alles weer mogelijk.  Snoeien, neerleggen waar nodig , een jaartje  de natuur zijn werk laten doen en  dan planten.  Geen luidruchtige bosmaaiers,  geen wegslepen van snoeisel, (behalve de bramen dan) geen gespit, geen aanslepen van karton, compost of hooi als mulch en geen uren aan de hakselaar. De perfecte gesloten kringloop met een minimum aan energie input. Je moet alleen in staat zijn geduld op te brengen en je er niet aan ergeren dat de toekomstige perken er een tijdje uitzien als alleen maar een  hoop takken.

De ultieme oplossing ?

Mirakeloplossingen  bestaan niet, net zoals het een fabeltje is dat met permacultuur het fruit je in je mond zal vallen terwijl je in je  hangmat ligt tot de natuur het werk voor jou doet.   Een bramenbosje van een halve meter hoog zal je niet weg krijgen door er een hoopje takken op te kieperen, net zo min zal je er na 4 weken pompoenen op kunnen kweken.  Toen ik de eerste keer de hierboven vermelde blog las, begreep ik ook niet helemaal hoe dat kon,  op een hoop takken groenten telen, tussen mulch van verhakseld hout tot daar aan toe, maar volledige takken ? Ik hield  echter geen rekening met de factor tijd.  Als je een jaartje  kunt wachten of misschien wel langer en de vlijtige micro-organismes en schimmels de tijd gunt om hun werk te laten doen, dan denk ik dat deze luie methode op veel plaatsen goeie resultaten kan opleveren, zonder gebroken ruggen of door benzine aangedreven motoren.   Het hangt ook een beetje af van wat je precies verwacht van de plek waar je deze methode  toepast.  Zelf streef ik naar een voedselbos als tuin, ietwat wild met veel vaste eetbare planten, bessenstruiken en fruitbomen. Hoofdzakelijk houtige planten dus, die de voorkeur geven aan bodems waar vooral schimmels de bovenhand halen en juist schimmels beschouwen zo’n takkenhoop als een gigantisch eetfestijn.  Uit budgettaire overwegingen probeer ik de meeste van mijn planten te kweken vanuit zaad, ik heb dus nog tijd zat voor ik ze een definitief plaatsje moet geven.  Een moestuin  vol met eenjarige groenten gedijt beter op een bodem waar de bodembacteriën het grootste deel van de afbraakwerken op zich nemen en  de meesten onder ons zullen  het eens zijn dat je in zo’n geval beter kiest voor compost.  Worteltjes zaaien tussen half verteerde takken lijkt me niet echt een goede oplossing.   Het zou me trouwens niet verwonderen dat ook de huidige staat van de bodem invloed heeft op het al dan niet slagen van deze methode. De bodem onder mijn wilgen krijgt  jaar op jaar een gulle gift van afgevallen blad en tak, de juiste bodemorganismes zijn  dus al aanwezig,  ik heb ze alleen het voedsel van pakweg 8 seizoenen in één keer gegeven .  Ik heb er geen idee van wat deze methode doet op een uitgeput maïsveld of een aangevoerde bodem in een nieuwbouwwijk.  Maar laat deze bedenking u vooral niet tegen houden om het uit te proberen, ik heb het ook eerst moeten zien om het te geloven.

Nieuwe Permacultuur mengelmoestuin

2016  is voor mij  zeer productief gestart. Op 2 januari was mijn nieuwe, grotere moestuin, waar ik al zo lang had over zitten nadenken, zo goed als af.  Ok, het meeste werk was al gedaan in die uitzonderlijk warme weken van afgelopen december, maar geef toe, het is toch leuk om met zoiets uit te pakken zo helemaal op het begin van het jaar.

Observeer

De zes bakken waar ik het tot nu toe mee heb gedaan, waren simpelweg te klein en het gras ertussen een nachtmerrie.  De plek zelf is perfect, zonnig en toch beschut tegen de wind door beukhagen aan beide zijden, met een serre en watertonnen vlakbij en ook niet te ver van de achterdeur. Alleen wanneer het veel heeft geregend, verandert het pad naar de moestuin in een gladde laag modder. Dit pad is ook de doorgang naar de rest van de tuin en is door het vele stappen te compact. De tuin loopt af naar het noorden en al het water dat van hogerop komt, zoekt zijn weg via dit smalle paadje.

De droge zomer van vorig jaar  had me geleerd dat ondanks een dikke laag mulch,  de groenten in de bakken wel wat extra water konden gebruiken en laat dat nu net één van mijn zwakke punten zijn.   Ondertussen had ik ook al gemerkt dat mijn tuin altijd net iets later van start gaat dan sommige tuinen in de buurt, eenvoudig te verklaren door het feit dat we gesitueerd zijn op een op het noorden gerichte helling.

Het probleem is de oplossing

Dus  moest ik iets verzinnen om meer oppervlakte te kunnen gebruiken,  het water te brengen naar waar het meest nodig is,  de  warmte te vangen en te voorkomen dat ik meer op mijn knieën zat om de  paden  te wieden dan in de moestuin zelf bezig was.  Om het mezelf nog wat moeilijker te maken vertik ik het ook nog eens om materiaal van buitenaf binnen te halen.   Het volgende ontwerpje, een mengelmoes van technieken die vooral in de permacultuur worden toegepast, zou aan deze criteria moeten voldoen.

moes003 Ik had gewoon mooie rechte bedden kunnen kiezen, netjes naast elkaar, dwars op de helling, maar ik wou het wat minder saai.  De ronde vorm in combinatie met de sleutelgat of “keyhole” structuur stelt me in staat de beschikbare oppervlakte zo goed mogelijk te gebruiken en tegelijkertijd  er een zonnecirkel van te maken. Ik weet het, het klinkt zweverig, maar het komt er op neer dat je het licht en de warmte probeert te vangen door structuren te plaatsen die de warme lucht tegenhouden als het bij afkoeling de heuvel afglijdt. Het licht “vang” je dan door de oriëntering op het zuid /zuidwesten in combinatie met bomen struiken of zelfs muren. Hier wordt het een warmtekring genoemd, maar dat lijkt me dan weer meer een naam voor een verwarmingsinstallatie.  Mooie theorie, alleen hoe verhoog je zo’n aflopende stuk, zonder massa’s aarde te moeten aanvoeren. Met  Hugelkultur , nog zo’n veel voorkomende techniek in permacultuurkringen !  Her en der in de tuin lagen vermolmde houtstronken die ik voor deze techniek kon gebruiken en de nieuwe paden zouden voldoende graszoden leveren om het geheel te bedekken.

Als er dan toch zoveel water  via het pad vloeit kan ik maar beter proberen het richting moestuin te loodsen.  Eenmaal in het bed zou het water zich via de paden moeten verspreiden en in de grond dringen beschikbaar voor de toekomstige groentjes.  Opnieuw neem ik toevlucht tot een permacultuur techniek namelijk “swales“,  maar dan in miniversie en niet helemaal volgens de regels der kunst. Gezien de grond afloopt moeten de paden waterpas lopen, anders zou  alleen het diepste deel van de cirkel van het water kunnen profiteren.  Daar is dus extra grond voor nodig, niet de vruchtbare bovenlaag net onder de graszoden, maar de lemige laag daaronder. Die aarde komt uit het poeltje  dat hopelijk slakkenetende kikkers en padden gaat aantrekken.

 

De stukken waar nog graszoden overbleven werden bedekt met karton, daarna volgde overal een dikke laag halfverteerde compost, vorige zomer omgezet, om tot slot af te werken met een laag  vruchtbare grond uit de bakken.

Feedback aanvaarden

De eerste feedback die ik kreeg was van mijn drie mannen/jongens : een landingsplaats voor buitenaardse wezens, een prehistorisch grafsite en de vraag of ik iemand had vermoord.  Er zijn inderdaad doden gevallen, ik durf niet te denken aan het aantal regenwormen die tijdens de werkzaamheden gesneuveld zijn, hetzij door de schop hetzij als gemakkelijke prooi voor de merels.  Kort na deze foto begon het te regenen en wat ik gehoopt had m.b.t. het water gebeurde ook,  het water bleef in de paden staan, om bij droger weer in de grond te dringen. De paadjes krijgen uiteraard nog een laag houtsnippers, anders blijf ik in de modder ploeteren. Ook de afwerking van de randen is voorlopig en het poeltje moet nog een pak dieper. Ik wacht nu op kouder weer, want de  “warmtekring” kan evengoed omgekeerd werken en juist de koude lucht vasthouden en een vorstzak creëren. Duimen maar.

Wordt in ieder geval vervolgd !

Update 15/01/2015 : vannacht is er sneeuw gevallen, mijn vrees voor het vorstzak effect lijkt ongegrond, geen sneeuw te zien in de moestuin, terwijl er op andere in de tuin wel sneeuw is blijven liggen. Maar we blijven alert, het kan ook het gevolg zijn van de iets warmere compost.