Rondje voedselbos eind april (2)

Beloofd is beloofd. De kruidlaag van de jardin  kon u al ontdekken in deel 1,  tenminste in het deel van de tuin dat ik tot voedselbos heb omgedoopt, want het gaat me in deze log vooral over planten die het goed doen in de schaduw of halfschaduw en die op dit moment van de lente zichtbaar zijn. Laten we het wat dieper in de grond zoeken.  Momenteel  heb ik nog niet zoveel eetbare knollen,  bollen of wortels in de jardin, buiten aardpeer,  look,  en het alom tegenwoordige nagelkruid.   Ik ben wel aan het experimenteren geslagen.  De look is dit jaar terechtgekomen rond de fruitbomen. Vorig jaar oktober was ik al van plan de moestuin (voor éénjarige groenten) voor de winter her in te richten , dus moest ik de look ergens anders kwijt.  Alliums zouden een goede companion zijn voor fruitbomen omdat ze ongedierte op een afstand houden en bijgevolg kom je nu op verschillende plaatsen in de tuin, aan de rand van de boomspiegels  een groepje look tegen. Ik laat er vast hier en daar nog wat staan, benieuwd naar wat er gebeurt als je ze behandeld als vaste plant.

Om het mezelf gemakkelijk te maken  en niet onnodig de grond te moeten verstoren, heb ik vlakbij de aardperen, waar nu  natuurlijk nog niets van te zien valt, ook voor het eerst crosne geplant.  Japanse andoorn dus, en die eerste blaadjes  lijken zo hard op die van de weelderig aanwezige bosandoorn, dat ik blij ben dat ik ze niet ergens in de bosrand heb gezet. Ik ken mezelf, het zou niet de eerste keer zijn dat ik iets weghaal wat ik eerst zelf heb geplant of gezaaid.  Het wordt een triootje, want ernaast komt oca of oxalis tuberosa , maar die staat op aanwijzing van de kweker nog in de serre voor te groeien.  In principe zouden ze alledrie in de grond kunnen blijven en kan je ’s winters oogsten wanneer je ze ook echt wil eten. Ik hoop maar  dat die twee laatste niet zo hard in de smaak vallen van de woelmuizen als aardpeer, want  hoe verder de winter vordert, hoe minder aardpeer er hier te vinden is.

P1010911.JPG

Iets verder in de tuin, aan de rand van het gazon een ander nieuwkomertje: de aardkastanje (Bunium bulbocastanum)  een inheemse schermbloemige die met uitsterven is bedreigd.  Het fluitekruid  doet het goed op deze plek, dus gok ik er op dat dat voor neef aardkastanje ook geldt.

P1010884.JPG

Dan zijn er natuurlijk de klimmers. Ook die bevinden zich niet echt in het voedselbos. De kiwi en de druif die overwoekeren twee kleine bijgebouwtjes vlakbij de achterdeur.  De kiwi mag dan wel tegen wat schaduw kunnen , maar de druif heeft absoluut zon nodig.  Wel is er een andere klimmer, die wat schaduw verdragen kan, maar er alles aan zal doen om het licht te bereiken : hop. Neen, nog geen bier gebrouwen met de bellen en het staat ook niet meteen op ons projectenlijstje.   Helaas  was ik ook dit jaar opnieuw te laat  om de scheuten te bleken zodat we ze konden proeven. Tja zo’n voedselbos, je moet het voortdurend in de gaten houden.  In het kamp van de eetbare klimmers is de hoop nu gevestigd op de zelf gezaaide kaukasische klimspinazie  of Hablitzia tamnoides.  De zaailingen deden het zo goed dat ik ze op verschillende plaatsen heb uitgeplant, hieronder zie je er eentje aan de stam van de gingko, vlabij  het triootje knollen die ik hierboven beschreef. Veel klimmen doet hij nog niet en of hij lekker is, dat zal de tijd nog moeten uitwijzen, wel is het me opgevallen dat de zaailingen gespaard bleven van slakkenvraat.

Tot zover de klimmers, op naar de struiklaag. Ik moet toegeven dat de combinatie met schaduw  wat moeizamer verloopt.  Van de bessen is de zwarte trosbes (ribes nigrum) de meest productieve in de schaduw, maar op de  overige telgen uit de ribesfamilie die mijn voedselbos bevolken vind ik amper bloesems, laat staan bessen, waardoor ik eigenlijk niet weet wat het voor variëteiten zijn.  Ik  heb deze winter van alle planten stekjes genomen in de hoop dat ik met wat geduld toch nog te weten kom wat het zijn. Ook duiken er steeds jonge ribesplantjes op aan de rand van  het bos. Ze mogen van mij gerust blijven staan, als ze het daar naar hun zin hebben, als ze ook nog beginnen dragen is dat mooi mee genomen.  De twee blauwe bosbessen kon ik wel determineren maar slechts op één vond ik één enkel bloemtrosje en de oogst bleef na drie jaar beperkt tot drie besjes. Ook van deze twee heb ik stekjes genomen met de bedoeling ze ergens anders in de tuin uit te proberen.

Pas op, aan bessen geen gebrek in de jardin. Ik weet amper wat aan te vangen met de vele frambozen en witte trosbessen  die  terug te vinden zijn  op wat zonnigere plaatsen in de tuin.   Toch zijn er nog nieuwkomers :  een honingbes  klaar om uitgeplant te worden,  die krijgt samen met zijn partner (voor de kruisbestuiving) een zonniger plaatsje, naast de vijg en in gezelschap van een drietal uit zaad opgekweekte gojibessen en een hazelaar zaailing waarvan ik hoop dat hij de enorme hazelnoten van zijn mama heeft geërfd.

Tot slot zijn er nog stekelige exemplaren : een szechuanpeperboompje , pas aangeplant dus hij moet nog bewijzen dat hij er niet om maalt om in de schaduw te vertoeven. Eentje die zeker niet van de schaduw houdt, is de  driebladige winterharde citroen (Poncirus trifoliata). Ik ontdekte pas recent wat dat stekelige bijna bladloze ding midden in het bos was.  Je eigen citroenen kweken, het leek me wel iets en bij het bestuderen van foto’s bleek  dat ik er al eentje had staan . Nee, citroenen heb ik er niet van geplukt,  kan moeilijk anders want deze staat echt wel in diepe schaduw en wordt  daarmee de volgende stekjes kandidaat. Toch is het de eerste keer dat ik er  bloemknoppen op ontdek en ook viel het me op dat er enkele weken geleden veel meer blad aan hing.  Vooral het krentenboompje en de twee gele kornoeljes gunnen hem later op het jaar geen straaltje zon meer, maar zelf zorgen die drie wel voor een enorme hoeveelheid bessen, netjes verdeeld over het seizoen. De tweede gele kornoelje rijpt zelfs later af dan de eerste, waardoor er bessen voorradig zijn van half augustus tot diep in september.

Tot zover dit rondje voedselbos, we komen later op het seizoen zeker nog eens terug, om de evolutie  tonen en ook de bomen en planten aan bod te laten komen die tot nu toe onvermeld bleven.  Toch wil ik u nog deze tip mee geven, mocht u  zelf een voedselbos  plan(t)(n)en voor uw nageslacht, hou  vooral rekening met de volwassen  omvang van bomen en struiken, het zou jammer zijn dat er door lichtgebrek na enkele decennia niets meer te plukken valt.

 

 

 

Advertenties

Rondje voedselbos eind april (1)

Ik vertelde u al waarom ik vind dat onze siertuin ook voor voedselbos  kan doorgaan, zelfs al was het oorspronkelijke ontwerp niet als voedselbos bedoeld.  De grootste blikvangers zijn natuurlijk de fruitbomen.  Madame Blairon, de ontwerpster van de tuin,  heeft wat dat betreft, jaren geleden, uitstekende keuzes gemaakt. Zowel de appels, peren en pruimen, allemaal kruisbestuivers, volgen elkaar netjes op zowel qua bloei als oogst.  Momenteel staat de wilde appel  volop te bloeien terwijl zijn buur, een oude Jacques Lebel (althans dat denk ik toch) pas over een paar weken er zal uitzien als een gigantische barbapapa.  Dit productieve oudje negeert daarbij ook nog eens alle beweringen over de negatieve invloed van zijn linker en rechter buur, de notelaars en van beurtjaren heb ik ook nog niet veel gemerkt. Iets verder vindt  je de eerste bloeiknoppen in een rode sierappel,  het jonge blad, de bloei en ook de appeltjes zijn diep rood en hoewel een sierappel, zorgen deze appeltjes voor een uitzonderlijke lekkere toets wanneer je ze verwerkt in appelsap.

Een voedselbos is geen boomgaard en  daarom wil ik u even meenemen om te zien hoe het op dit moment staat met die  andere groeilagen. In een pas aangelegd voedselbos heb je nog volop licht en kan je nog alle kanten uit met de verschillende groeilagen. Wanneer de  boomlaag een volwassen stadium heeft bereikt, zoals in de jardin, heerst de schaduw, waardoor het introduceren van nieuwe eetbare of nuttige soorten vooral een  zoektocht is naar de geschikte plaatsjes.   De kruidlaag bevatte al een aantal bruikbare  planten zoals citroenmelisse , wilde marjolein  (in tegenstelling tot wat je zou verwachten doet deze het hier uitstekend in de halfschaduw) varens, daslook, look-zonder-look en bosaardbeien. Ze voelen zich er duidelijk  goed want ieder jaar zie ik er meer.

Zelf voeg ik er, geleidelijk aan, nog meer soorten aan toe in de hoop zo de overheersende grondbedekking van gele dovenetel, brandnetel, zevenblad,hondsdraf, kleefkruid en klimop wat diverser maken.  Zo heb ik met succes zwartmoeskervel (Smyrnium olusatrum) geïntroduceerd. Misschien staat hij iets te veel in de schaduw, want bloeien heeft hij tot nu toe niet gedaan, maar in het vroege voorjaar is het een plezier  om die groene bos te zien blinken op een nog overwegend bruin gekleurde bosbodem, later in de zomer verdwijnt hij bijna helemaal.  Toen ik ontdekte dat je hostascheuten en  bloemen kon eten heb ik meteen een aantal exemplaren gescheurd en ze lijken aan te slaan.

De nieuwkomers dit jaar, in het bos althans,  zijn witte klaverzuring  (Oxalis acetosella) en lievevrouwebedstro (Galium odoratum), duimen maar dat hun plaatsje hen bevalt.

Nu hebben we het nog niet gehad over de struiklaag, de klimmers en wat zich onder de grond aan lekkers bevindt, maar de zon schijnt en de tuin roept, dus brei ik morgen nog een vervolgje aan deze log, beloofd !

Siertuin of voedselbos ?

De eerste keer dat ik in de jardin wandelde,  zag ik een ietwat verwilderde siertuin, met wel 8 tuinkamers, waaronder een rozentuin en een stukje bos. Het leuke was dat er al een aantal fruitbomen stonden en een netelbosje  met  frambozen, en dat stuk gazon, wel daar kon ik nog massa’s eetbaars in kwijt, met andere woorden :    een tuin met potentieel . Net zoals vele anderen die door de permacultuurmicrobe werden gebeten, droomde ik immers van een voedselbos. Een plek waar je, door de ecosystemen van een bos te imiteren, maar dan met eetbare en vruchtdragende planten en bomen, gespreid over alle mogelijke groeilagen,  een massa aan divers voedsel kan produceren, het hele jaar door en met een veel lagere energie-input dan  wanneer je  bijvoorbeeld een moestuin van dezelfde omvang zou onderhouden.

brulotte (2)

Nu ik ieder hoekje van de jardin ken en alle literatuur die ik kon vinden over voedselbossen heb doorgenomen, weet ik dat ik niet langer hoef te dromen van een voedselbos, ik heb er al één.  De jardin mag dan oorspronkelijk ontworpen zijn als siertuin met een knipoog naar zijn verleden als boomgaard, toch  zijn er verschillende redenen waarom ik het een voedselbos durf te noemen. Een kleine inventaris van de meest voor de hand liggende “voedselgewassen” levert het volgende lijstje op :   7 appelbomen, 6 pruimelaars, 2 zoete kersen, 1 kerspruim, 1 mirabel, 2 notelaars, 5 hazelaars, 1 mispel, 1 zelfbestuivende kiwi die goed vrucht draagt, 1 vijg,  2 druivelaars, een niet nader te bepalen aantal vlieren , witte, rode en blauwe trosbessen,  bosbessen, bosaardbeien, gele zomer- en  rode herfst-frambozen , bramen en 2 krentenboompjes.  Daarmee houdt het echter niet op,  van de verschillende soorten kornoeljes die er staan zijn er 4 met eetbare vruchten, namelijk 2 gele kornoeljes en de 2 japanse kornoeljes. In de gemengde haag vind je o.a. sleedoorn, meidoorn, eik, zure kers, lijsterbes, hondsroos, vogelkers en wilde appel, allemaal vruchten die je tot iets eetbaars kunt verwerken. Dat je in de lente berkensap kunt aftappen wist u waarschijnlijk al , maar dat het jong blad van beuk en linde ideaal zijn voor de sla is misschien nieuw voor u. En wist u dat het blad van op zijn minst één van de hortensias, de hydrangea macrophylla,  door  boeddhistische monniken wordt gebruikt om de thee te zoeten, of dat  de bloem van de sering  best wel lekker is als je het door een deegje haalt. Niet alle bomen en struiken die in de jardin staan zijn eetbaar, maar toch zijn ze op één of andere manier van nut.  Ik ben  bijvoorbeeld niet geneigd om van de gouden regen te gaan snoepen, maar als lid van de vlinderbloemfamilie is hij wel in staat om stikstof in de grond te fixeren en is daarmee ook zijn buren van dienst. We noemen we hem hier de zoemende boom, want eenmaal in bloei trekt hij zoveel bijen en hommels aan, dat het echt lijkt alsof het de boom zelf is, die staat te zoemen. De robinia is ook zo’n stikstoffixeerder en ik durf al wel eens vloeken als ik weer een uitloper tegenkom op een plaats waar het me niet zint, maar eigenlijk volstaat het zo’n uitloper af te knippen en ter plaatse te laten vergaan om opnieuw de bodem voeden.  De knotwilgen en populieren beschermen de jardin niet alleen tegen de wind, maar zijn tegelijkertijd nestplaats voor tal van vogels,  zorgen er voor dat de jardin er niet te nat bij ligt tijdens regenachtige periodes, hun vallend blad in de herfst is een warm en voedzaam mulchdeken voor de wintermaanden, het geknotte hout gebruiken we als brandhout en  de takken durf ik in een creatieve bui al eens te verwerken in een vlechtwerkje.  De vele soorten viburnums mogen dan alleen eetbare besjes produceren voor vogels, er is er altijd wel eentje die prachtig staat te bloeien of een heerlijk parfum verspreidt,  en zeg nu zelf , wie kan er iets op tegen hebben dat oog en neus ook verwend worden. De uit de kluiten gewassen sneeuwbes achterin de tuin herbergt het jaar door een aantal winterkoninkjes en de kardinaalsmuts en spaanse aak worden gretig bezocht door hongerige vogels. Zelfs de boerenjasmijn staat er niet alleen mooi te wezen , maar  de bladeren bevatten zoveel saponines dat je ze als zeepvervanger kunt gebruiken.

DSC_0065

Ik heb nu nog alleen maar  bomen en struiken de revue laten passeren, maar onder de grond en in de kruidlaag heeft de jardin ook heel wat eetbaars te bieden. Naast de gekende keukenkruiden zoals tijm, rozemarijn, citroenmelisse, allerlei muntsoorten en wilde marjolein, de vaste groenten zoals rabarber, asperge en artisjok,  of de eetbare “onkruiden” zoals brandnetel, zevenblad, vogelmuur, hondsdraf, paardenbloem, madeliefjes, berenklauw, nagelkruid (onkruid nr.2 in de jardin) en  kaasjeskruid, telt de jardin tal van eetbare bloemen : daglelie, hosta (een gewone groente in japan), hemelsleutel (niet de bloemen maar het blad)  muskuskaasjeskruid, alle campanula soorten, damastbloem, maarts viooltjes, pinksterbloem,  maar ook de rozen, of wat dacht u van een akeleiblad in de sla (wel van de zaden afblijven). En wat we zelf niet eten is voedsel voor bijen, hommels en andere insecten, van het longkruid en de sleutelbloem in het vroege voor jaar  tot de asters in het najaar.  De bovenstaande lijstjes zijn allesbehalve compleet en dan  heb ik het nog niet gehad over de eetbare vaste planten die ik  zelf aan het zaaien ben of straks ga uitplanten.

DSC_0049

Toch maakt  de jardin de belofte van tuin van overvloed nog niet helemaal waar. Er zijn hier en daar  een paar mankementjes in het ontwerp.  De zoete kersen, bijvoorbeeld,  zijn overheerlijk, maar je mag geen hoogtevrees hebben als je er van wil snoepen, bijgevolg zijn het vooral de houtduiven die er van genieten.  De grote bomen werpen ook te veel schaduw op een perelaar en tal van bessenstruiken, waardoor deze amper fruit dragen. Vroeg of laat zullen we moeten beslissen over het lot van deze fruitbomen, maar niet vooraleer we ze op een andere plek hebben vervangen, zie het als het imiteren van de natuurlijk successie in het bos, waar ook al wel eens een boom sneuvelt en plaats maakt voor ander soorten.  De hazelaars  zien er dan wel ieder jaar uit alsof ze kunnen figureren in een publiciteitsfilmpje voor Nutella , maar het zijn vooral de larves van de  hazelnootboorder die de oogst naar binnen werken. Er zijn alvast “kippentunnels” gepland, zodat de dames straks gericht kunnen gaan scharrelen in een poging deze pretbedervers wat in te tomen. Ook de bosbessen zouden een zonniger en zuurder plekje kunnen gebruiken. Kleine dingen eigenlijk,  waarvoor op tijd en stond de gepaste oplossing zich wel zal aandienen.

 

De voornaamste reden waarom wij als bewoners van de jardin nog niet volop genieten van de aanwezige  overvloed, is het gebrek aan kennis en ervaring op het vlak van bewaren en prepareren, maar ook  onze eetgewoontes zijn gewoon niet aangepast aan wat de jardin ons allemaal te bieden heeft.  Terwijl we in de loop van de zomer de kersen, aardbeien, frambozen en trosbessen nog de baas kunnen , verzuipen we vanaf het einde van augustus eerst in de mirabellen, dan de pruimen,  vervolgens  in  de appelen, peren en herfstframbozen en dat blijft duren tot eind oktober.  Buren, vrienden en familieleden  krijgen elk hun deel, en we maken sap, moes en confituur, maar  het is nog steeds een zoektocht naar de juiste methodes, perfecte organisatie  en lekkerste recepten.  Zo staan er nog steeds 10 potten frambozenconfituur in de berging waar niemand echt zin in heeft.   Vorige week heb ik nog twee kisten appels op de composthoop gekieperd, die stilletjes aan begonnen te gisten en ondanks bescherming blijkbaar toch bereikbaar waren voor inventieve merels. Dat mijn pogingen om de wat ongewonere groenten aan de man te brengen niet altijd even succesvol zijn, kon en kan  u volgen in de “Eten uit een wilde tuin” reeks. Toch blijf ik  geloven dat binnen niet onafzienbare tijd de jardin onze voornaamste voedselleverancier zal zijn.

DSC_0950

framboos, appel en mirabel op een mulchbedje van zelfgemaaid hooi

Om terug te komen op de titel, eetbare siertuin of voedselbos, volgens mij  doet het er blijkbaar niet zo veel toe welke naam het beestje  de tuin krijgt. De vele sierplanten en struiken in de tuin dragen niet alleen bij tot de diversiteit, maar zijn in andere oorden dikwijls een dagdagelijks groente of fruit. Het belangrijkste onderscheid zit hem volgens mij in de energie die je besteedt aan het onderhoud. In een voedselbos is het de bedoeling  dat de tuin  zich door het imiteren van natuurlijke processen tot op zeker hoogte zelf onderhoudt, in tegenstelling tot de gemanicuurde siertuin. Toen we de jardin ontdekten stond het onderhoud al enkele jaren  op een laag pitje en ik kan me niet van de indruk ontdoen dat dit de  weerbaarheid van de tuin een boost heeft gegeven,  want juist die planten die er op hun plaats zijn doen het  goed, zonder extra zorg. Dat gebrek aan onderhoud is ook  de diversiteit ten goede  gekomen, want ieder seizoen ontdek ik weer nieuwe wilde soortjes die  met het wegvallen van zorgenkindjes en een minder rigide snoei, wied en maai regime  vrijgekomen niches  weten in te palmen. Mijn persoonlijke voorkeur gaat trouwens ook uit naar een tuin die niet van het gladgeschoren type is, net zoals ik mijn man ook knapper vind met baard, zelfs al prikt het nu en dan misschien een beetje.

Oh , ja , het is voor mij zo vanzelfsprekend dat ik er gewoon niet aan denk om het te vermelden, maar in de jardin wordt niet gespoten met pest-, herb- of andere iciden. Ook kunstmest is volledig uit den boze, de jardin is voor het voeden van zijn bodem 99% zelfvoorzienend.  Enkele kruiwagens ezelmest, opgehaald bij de buur zo’n 200 meter verder, verwerkt in de compost, zijn zowat het enige extraatje  en zelfs dat is alleen  bestemd voor de moestuin met hongerige eenjarigen.

 

Van bramen en mulchen met takken.

P1010650.JPG

De jardin  was vroeger  een gewoon  boerenerf,  op traditionele wijze afgezoomd door knotwilgen, in ons geval op het westen.  De laatste keer dat die wilgen werden geknot moet zo’n 30, misschien wel 40 jaar geleden geweest zijn.  Knotwilgen met bovenop de knot vijf tot zeven meterslange dikke stammen,  blootgesteld aan stevige zuidwestenwinden, dat is er gewoon om vragen.  Vorige jaar knakten er bij een storm aan het begin van de zomer een zestal stammen, een maand later volgenden er nog eens vier. Het hout van de stammen en dikkere takken, daar wisten we wel raad mee,  verwarmen  en koken doen we uitsluitend met hout.  De  hoeveelheid  dunnere takken en bladeren daarentegen  was enorm. Te veel om  te dumpen in de kleine wildernis aan het einde van de tuin, zoals we meestal doen met snoeisel. Verhakselen lukte ook niet, de takjes waren nog te soepel en het zou een eeuwigheid geduurd hebben. Als je volledige achtertuin herschapen is in een slagveld van takken dan wil je dat gewoon zo snel mogelijk weg.

Mulchen met takken

Nu onder die hoge (ex)knotwilgen groeit er weinig gras.  In het voorjaar vind je er nog speenkruid, sleutelbloemen, narcissen en fluitekruid, maar tegen dat de zomer uit de startblokken is geschoten, gedijt vooral de brandnetel er uitstekend en bramen natuurlijk. Die eeuwige bramen, waardoor het bijna onmogelijk is om er te maaien. Ik herinnerde me een  log waar ze er in slagen om van een hoop takken groentebedden te maken, dus besloot ik  tak en blad in een dikke laag onder de knotwilgen te leggen en wat aan te stampen.  Op zijn minst zou ik daarmee de brandnetel al wat in kunnen tomen. Of het idee zou lukken en wat ik er later mee zou aanvangen zouden we nog wel zien. Ook de bramen verdwenen op die manier uit het zicht, niet dat ik verwachtte er op die manier van verlost te zijn. Hoe pril en theoretisch mijn tuinkennis ook mag zijn, dat het krengen zijn die je enkel weg krijgt door ook de wortels uit te graven en dat er meestal veel wortels zijn, gezien ze de grond maar moeten raken om wortel te schieten, dat was me al duidelijk geworden.  De man vond  mijn “takken border” maar niets, maar liet me begaan.  De zomer verstreek en aan de takken dacht ik niet echt meer, behalve wanneer de man er bij het maaien langs moest en ik hem iedere keer  binnensmonds  hoorde brommen op mijn bizarre permacultuur experimenten.

Bramenalarm

Nu het zonlicht ons  opnieuw naar buiten roept en de leegte van de winter ons alle hoekjes van de tuin laat herontdekken, vallen die bramen weer extra op.   Hun roodgroen overblijvende blad steekt af tegen de bruine takken van viburnum en haagbeuk en stilletjes aan proberen ze ook het gazon, de bessenstruiken en de compostbakken voor zich  te winnen.  Om te voorkomen dat ik straks bij de jaarlijkse wintersnoei,  het snoeisel vermeng met stukken braam en ongewild de verspreiding van die geniepige monstertjes een handje help,  startte ik de snoeiwerken dit jaar dan maar met een apart rondje “ontbramen”,  liefst met wortel en al, waar mogelijk.  Sepp Holzer, een bekende Oostenrijkse permacultuur boer, beweert dat enkel varkens  in staat zijn bramen uit te roeien, doordat ze de wortels  opgraven en opeten. Varkens op onze jardin loslaten ? Niet echt wat ik in gedachten heb,  dan maar zien hoe goed ik zelf het varken kan uithangen.

Valt dat tegen !  Al na een uurtje vechten met meterslange takken, die in mijn haren en kleren blijven haken of zich ongemerkt rond mijn voeten winden en me doen struikelen, in mijn gezicht zwiepen en met hun venijnige kleine doorntjes toch nog mijn handschoenen en jeans weten te perforeren, heb ik veel zin om er de brui aan te geven. Vooral dat wortels graven is er te veel aan.  Probeer je ze uit te trekken, dan breken de takken gegarandeerd af net boven de wortel, waardoor je ze amper nog kan lokaliseren terwijl je weet dat die nieuwe scheuten al klaar zitten om met dubbele kracht terug te komen. Ofwel blijf je uitlopers volgen en voor je het weet, zit je klem tussen de takken van die enorme gele kornoelje of in een yogaknoop rond het krentenboompje. Ik word er zowaar moedeloos van en besluit een rondje te gaan wandelen  in de hoop dat vers groen of pas ontloken bloemen me de energie zullen geven verder te gaan. Helaas , overal waar ik kijk, zie ik alleen maar oude verwilderde struiken, massa’s nog te doen snoeiwerk en nog meer bramen.

Dipje

Hoe krijg ik deze tuin ooit nog terug in een staat het bijvoegelijk naamwoord “fabuleux” waardig? Hoe ga ik ooit plaats kunnen maken voor al die fruitsoorten, kruiden en bloemen waarvan het zaad ligt te wachten in gelabelde zakjes of op mijn verlanglijstje staan?  Ik sus me met de gedachte dat over een aantal maanden al dat zogenaamde werk weer mooi verstopt zal zitten onder uitbundig blad. Ik moet geduld hebben. Als ik iedere dag een uurtje besteed aan het vrijmaken van een klein stukje,  zal ik er na verloop van tijd ook wel komen. Ik leg mezelf op om nog minstens een uurtje  verder te “ontbramen”, alles wat weg is, is weg en ik begin er terug aan bij de tot nu toe vergeten “takkenborder”.  Zoals verwacht hebben de bramen zich ook hier een weg weten te banen in de wirwar van takken. Ik zucht, houdt dit dan echt niet op.  Ik  pak een aantal bramentakken stevig vast en na één ruk, zonder het goed te beseffen wat er gebeurt, staar ik naar een bramenwortel . Nee , echt ! Ik  volg de tak naar een volgende wortel en lap, opnieuw haal ik de wortel boven zonder enige moeite. Ha, ha, niks varkens  ! Eat that, Sepp Holzer !  Als ik wat takken aan de kant duw, zie ik mooie rulle aarde, losgewerkt door al het bodemleven, je  kan er meteen  in  planten als je wil.  Mijn oog valt op de narcissen die er blijkbaar niet van weerhouden  werden de weg naar het licht te vinden door de takkenhoop heen. Brandnetels zijn er nog wel, maar een pak minder dan vorige jaren en wat ik aan brandnetel zie, kan ik met hetzelfde gemak als de  bramen met wortel en al uittrekken.

P1010651

Opeens is alles weer mogelijk.  Snoeien, neerleggen waar nodig , een jaartje  de natuur zijn werk laten doen en  dan planten.  Geen luidruchtige bosmaaiers,  geen wegslepen van snoeisel, (behalve de bramen dan) geen gespit, geen aanslepen van karton, compost of hooi als mulch en geen uren aan de hakselaar. De perfecte gesloten kringloop met een minimum aan energie input. Je moet alleen in staat zijn geduld op te brengen en je er niet aan ergeren dat de toekomstige perken er een tijdje uitzien als alleen maar een  hoop takken.

De ultieme oplossing ?

Mirakeloplossingen  bestaan niet, net zoals het een fabeltje is dat met permacultuur het fruit je in je mond zal vallen terwijl je in je  hangmat ligt tot de natuur het werk voor jou doet.   Een bramenbosje van een halve meter hoog zal je niet weg krijgen door er een hoopje takken op te kieperen, net zo min zal je er na 4 weken pompoenen op kunnen kweken.  Toen ik de eerste keer de hierboven vermelde blog las, begreep ik ook niet helemaal hoe dat kon,  op een hoop takken groenten telen, tussen mulch van verhakseld hout tot daar aan toe, maar volledige takken ? Ik hield  echter geen rekening met de factor tijd.  Als je een jaartje  kunt wachten of misschien wel langer en de vlijtige micro-organismes en schimmels de tijd gunt om hun werk te laten doen, dan denk ik dat deze luie methode op veel plaatsen goeie resultaten kan opleveren, zonder gebroken ruggen of door benzine aangedreven motoren.   Het hangt ook een beetje af van wat je precies verwacht van de plek waar je deze methode  toepast.  Zelf streef ik naar een voedselbos als tuin, ietwat wild met veel vaste eetbare planten, bessenstruiken en fruitbomen. Hoofdzakelijk houtige planten dus, die de voorkeur geven aan bodems waar vooral schimmels de bovenhand halen en juist schimmels beschouwen zo’n takkenhoop als een gigantisch eetfestijn.  Uit budgettaire overwegingen probeer ik de meeste van mijn planten te kweken vanuit zaad, ik heb dus nog tijd zat voor ik ze een definitief plaatsje moet geven.  Een moestuin  vol met eenjarige groenten gedijt beter op een bodem waar de bodembacteriën het grootste deel van de afbraakwerken op zich nemen en  de meesten onder ons zullen  het eens zijn dat je in zo’n geval beter kiest voor compost.  Worteltjes zaaien tussen half verteerde takken lijkt me niet echt een goede oplossing.   Het zou me trouwens niet verwonderen dat ook de huidige staat van de bodem invloed heeft op het al dan niet slagen van deze methode. De bodem onder mijn wilgen krijgt  jaar op jaar een gulle gift van afgevallen blad en tak, de juiste bodemorganismes zijn  dus al aanwezig,  ik heb ze alleen het voedsel van pakweg 8 seizoenen in één keer gegeven .  Ik heb er geen idee van wat deze methode doet op een uitgeput maïsveld of een aangevoerde bodem in een nieuwbouwwijk.  Maar laat deze bedenking u vooral niet tegen houden om het uit te proberen, ik heb het ook eerst moeten zien om het te geloven.

Eten uit een wilde tuin : of hoe het wel eens verkeerd kan lopen.

Ik had een receptje gevonden voor het bereiden van smeerwortel, uitgetest en lekker bevonden door ons lokale transitie werkgroepje “les jardiniers complices”. Met smeerwortel moet je  echter oppassen, het zou namelijk pyrrolizidine alkaloïden bevatten die leverbeschadiging als gevolg kunnen hebben. Of je nu al dan niet veilig smeerwortel kan eten is blijkbaar een welles nietes discussie.  Een mooie samenvatting van het wetenschappelijk onderzoek naar de toxiciteit van smeerwortel  en wanneer je kan beslissen om  het wel te eten vind je hier. Nu staat er in de jardin veel smeerwortel, ook in deze periode van het jaar, alleen gaat het om Symphytum grandiflora, een grondbedekkende variëteit voor de siertuin, die vroeg en langdurig bloeit. Hoewel deze uitbundige groeier  hier zijn nut bewezen heeft  als barrière tegen onkruid , versneller in  de composthoop en  voedende  mulch, is hij dus zeker niet geschikt voor in de pan, m.a.w. recept afgevoerd.

smeerwortel jan.JPG

Symphytum Grandiflora in bloei in januari

 

Koppig of creatief ?

Misschien was het het succes van deze logreeks, waardoor ik mezelf onder druk zette om snel met een recept op de proppen te komen, of nam de drang om te bewijzen dat er lekker kan gekookt worden met wilde planten en vaste groenten de overhand (beide, volgens de man).  In ieder geval het recept bleef door mijn hoofd spoken.  Er was  natuurlijk ook nog die andere eetbare telg uit de ruwbladigenfamilie, oosters komkommerkruid (Trachystemon Orientalis) die ik hier al eens aan bod liet komen.  Het leek wel alsof deze Turkse groente me ieder keer ik er langs wandelde mij verleidelijk aankeek en ” eet mij, eet mij” riep, los van het feit dat de plant er niet overdreven smakelijk uitziet.  Mijn  vorige experiment met het Turkse recept  was allesbehalve in de smaak gevallen, ook ik vond het niet lekker en was tot de conclusie gekomen dat je er jong blad voor nodig had. Op dit moment is het blad van deze bodembedekker jong en qua grootte en textuur vergelijkbaar met smeerwortel… dus waarom niet ? Geen smeerwortelfilets, maar komkommerkruidfilets.

Ik ging dus aan de slag met een hartig pannenkoekendeeg, blaadjes twee aan twee door het deeg halen en bakken in wat olie in een hete pan.  De eerste  “filet” die aan beide zijden lichtbruin gebakken uit pan kwam proefde ik alvast voor. Een verrassend effect, vlezig vond ik. Nog wat parmezaan erover en even dacht/hoopte  ik dat ik een succesje ging boeken.

Ontnuchtering, discussie en schuldgevoel

Met open geest tastten de man en zoon 2 toe,  maar wat ik vlezig vond was voor zoon 2 vooral “plant” en “dof” voor de man. Zoon 1 keek de kat uit de boom en besloot, afgaande op de steeds bedenkelijkere gezichten van de man en zoon 2  niet te proeven.  Na enkele happen  begon zoon 2 een beetje te kokhalzen en ook de man sprak van een raar gevoel in de mond.  Ik zelf had nergens last van en vond het eigenlijk wel  smaken. Het duurde echter niet lang of er ontspon zich een met momenten heftige maar interessante discussie over de textuur van eetbaar  eten, deontologie van de kok,  psychologie en voedsel.  Begrijp me niet verkeerd, wat op tafel gegooid werd, was niet zomaar kritiek, maar raakte wel degelijk gevoelige snaren in verband met ons voedsel en welke grenzen er al dan niet kunnen overschreden worden.   De man die op zijn werkreizen in Cuba en Kenia regelmatig gerechten kreeg voorgeschoteld,  waarvoor hij behoorlijk buiten zijn comfort zone moest treden om ze op te eten  en ze achteraf nog lekker vond ook, is dus niet aan zijn proefstuk toe. Zoon 2 eet gewoon heel graag en vanuit een soort trouw aan zijn mama, bereid om op zijn minst te proberen wat hem wordt voorgeschoteld.    Het bleef echter niet bij een discussie. Passionele discussies horen nu eenmaal bij ons gezin. Nee, het werd erger,  na de maaltijd liep de man tot 2 maal toe richting toilet, omdat het eten blijkbaar de neiging had terug te komen en zoon 2 sprak van een gezwollen gevoel in de keel.  Niet dat de situatie  zeer ernstig leek of dat ze allebei doodziek werden, maar toch.  Zoon 2 zit  momenteel nog maar eens in de afbouwfase van een cortisone kuur,  dus waakzaamheid is wat hem betreft sowieso geboden. De rest van de avond en nacht  bracht ik piekerend door . Was  ik hier toch geen stap te ver was gegaan ?  Internet afgeschuimd op zoek naar bijkomende informatie over eventuele allergische reacties  en/of  tegenindicaties bij het gebruik van leden van de Boraginaceae familie, maar met uitzondering over wat ik al wist over smeerwortel en een vermelding van contactallergie bij het eenjarige komkommerkruid kon ik niets verontrustends vinden.

Lesje geleerd

Vanmorgen bij het ontwaken bleek noch zoon 2, noch de man ergens last van te hebben. Oef, opluchting !   De vraag die we ons nu alle drie stellen is of wat er zich gisterenavond heeft afgespeeld een reële allergische of overgevoelige  reactie was,  of iets wat zich enkel heeft afgespeeld tussen de oren.  We zullen het waarschijnlijk nooit weten, want we houden het  liever  veilig en leden van de ruwbladigenfamilie komen hier niet meer op tafel.   Wat wel vaststaat is dat bij volgende experimenten met vreemde en wilde eetbare planten, de regeltjes van de wildplukker *  die ik beschreef in het logje over kleefkruid veel strenger zullen worden toegepast.  Van dieren is het geweten dat ze intuïtief op zoek gaan naar eten die ze op dat moment nodig hebben en hoewel wij als mens deze eigenschap lijken  verloren te hebben,  ben ik er van overtuigd dat er daar toch nog iets is van blijven hangen, zelfs al proppen  we ons tegen beter weten in vol met allerlei chemisch bewerkte troep. Ik herinner me hoe ik tijdens mijn zwangerschappen kokhalsde als ik nog maar een zweem van broccoli of bloemkool rook, terwijl ik beide groenten echt wel lekker vind. Het mag van mijn part zweverig klinken, maar als het op voedsel aankomt denk ik dat het verstandig kan zijn beroep te doen op je intuïtie.  Hadden zoon 2 en de man gisteren in plaats van mij een plezier willen doen,  afgegaan op hun intuïtie, dan hadden ze niet geproefd.

(*) De regeltjes van de wildplukker : Gebruik al uw zintuigen, kijk, ruik, luister en voel voor je de plant ook maar in de buurt van je lippen brengt.  Als je dan al iets is opgevallen wat je onappetijtelijk vindt, laat de plant dan voor wat het is.  Alles nog ok ? Zo ja,  dan kun je de plant naar je lippen brengen, maar nog niet in je mond stoppen.  Indien er zich geen tinteling of zwelling van de lippen voordoet, kan je een piepklein hapje nemen en zo stilletjes opbouwen . Best wel een tijdje wachten tussen het contact met de lippen en de volgende stapjes.  

Fraternité of hoe dromen werkelijkheid worden

Zondagmorgen, 9u30, een gewone straat ergens in Moeskroen.  De deur van arbeidershuisje nr. 58 staat open. Volk loopt af en aan. Jong, oud, alternatief, gewoon, Vlaams, Frans, Waals.  Als rond 10u een handbel het begin van de gratis les in permacultuur aankondigt, zit er meer dan 100 man op elkaar gepakt in een ruimte waarvan de muren volledig bedekt zijn door boekenkasten. Boeken staan er niet, maar wel zaden van 6500 plantenvariëteiten. Als je verder de ruimte doorloopt kom je in een tuin met een hallucinant aantal fruitbomen en struiken. Zo’n goeie 2000, waarvan 1300 verschillende variëteiten. Een drietal serres, een vijver en in vol seizoen ook nog eens rond de 5000 verschillende soorten eetbare planten en kruiden, dit alles op slechts 1800m²

We kunnen blijven doorgaan met cijfertjes : 100 vrijwilligers, minstens 200 cursisten verspreid over 2 zondagen per maand, 1300 betalende leden aan 1.50€/jaar en iedere donderdagnamiddag  tientallen bezoekers over de vloer.  Een pakje zaad kost gemiddeld 0.50 €.  De tuingrond bevat 12% humus en in één kubieke meter zitten 3 kilo wormen. Josine en Gilbert Cardon zijn al meer dan 40 jaar de bezielers  van la  Fraternitè d’ouvrière de Mouscron en zijn ondertussen de 80 al ver voorbij. Of de cijfertjes echt kloppen, doet er niet toe, niemand zal ze natellen. Net zoals het geld dat in een kartonnen doos  wordt gedeponeerd bij de aankoop van zaden, ook niet wordt nageteld. “Reken zelf maar uit” zegt Gilbert, de prijs staat op het zakje.  Fraternité betekent hier ook vertrouwen.

P1010568

Het begon als een coöperatieve voor groepsaankopen van bio-groenten,  als steuntje in de rug voor arbeiders uit de plaatselijke textielindustrie, toen eind jaren zestig massaal ontslagen vielen.  Arme mensen hebben ook recht op gezond voedsel.  Van het één kwam het ander, waarom niet zelf voedsel kweken en elkaar de knepen van het vak leren kennen. Het is niet helemaal duidelijk hoe of wanneer  Gilbert  en Josine de permacultuur ontdekten of dat de permacultuur hen ontdekt heeft. Een feit is dat hun tuin het oudste voedselbos van België is en de manier waarop ze met hun medemensen omgaan een schoolvoorbeeld van sociale permacultuur.

Ik was vorige zondag één van de cursisten en heb volop genoten van het enthousiasme waarmee Gilbert zijn kennis overbrengt. Op een eenvoudige en grappige manier weet hij de soms ongelovige toehoorders over de permacultuurstreep te trekken. Wat mij nog het meest opviel is dat ondanks jaren ervaring , deze man nog steeds open staat  voor en actief zoekt naar nieuwe ideeën.  Alles evolueert voortdurend, zegt hij, ook de natuur rondom ons, een fietser die ter plekke wil fietsen valt om.

Ik heb me laten vertellen dat er in onze lage landen onder permapuriteinen wel eens neerbuigend wordt gedaan over de jardin de la fraternité ouvrière de mouscron : het zou geen echt  voedselbos zijn, slecht onderhouden, lage productie, … vage kritieken die voorbij gaan aan het feit dat deze simpele mensen de permacultuur principes al toepasten lang voor  David Holmgren ze in 2002 nog eens voor alle duidelijkheid moest ordenen en opschrijven.  Of zou het misschien zijn omdat ze het derde ethische principe “eerlijk delen” ten volle toepassen en met een ongeëvenaard enthousiasme gratis hun kennis ter beschikking stellen ?  Weet u wat, neem eens een uurtje de tijd en oordeel zelf. Hieronder vind je een  inspirerende documentaire die de wereld van Josine en Gilbert mooi in beeld brengt.  De  film start op 16 min, maar is in het Frans en niet ondertiteld.

Als je het wat moeilijk  hebt met het frans, is er ook een vimeo versie beschikbaar met engelse ondertitels  – https://vimeo.com/127024480

Weinig tijd?  Hier kan je terecht voor  een korter verslag, waarin ook de rol van Josine,  die in dit verhaal minstens even belangrijk is, beter tot uiting komt.

 

Alle informatie over de lessen en openingsuren, alsook de audio van de lessen kunt u terug vinden op de blog van “La fraternité ouvrière de mouscron

In de documentaire zegt Gilbert dat je je kinderdromen niet mag laten varen wanneer je volwassen bent, maar ze dan juist waar moet maken.  Het werk van Gilbert en Josine is voor mij alvast één van de grootste inspiratiebronnen voor het waarmaken van mijn dromen.

Eten uit een wilde tuin: damastbloem

De keuze voor damastbloem,  (Hesperis matronalis)  als eerste test in deze reeks, had ik al eerder gemaakt omdat de planten er mooi en vol bij stonden de afgelopen weken. Ik vreesde er een beetje voor dat het vriesweer daar een stokje voor zou steken,  maar die vrees bleek ongegrond. De blaadjes blijven stevig, ook nadat ze in de warme keuken een poosje op het aanrecht hebben gelegen.

HesperisMatronalis

Damastbloem doet het prima in  halfschaduw en bloeit best wel lang (vorig jaar begonnen ze er hier aan in april en bleven doorgaan tot half oktober), zaait zich makkelijk uit en  kan variëren qua kleur van paars, roze tot wit, zoals die van mij.  De bloemen worden hier druk bezocht door bijen en vlinders. Rupsen zouden van het blad houden, maar dat  is me niet echt opgevallen.   De plant wordt omschreven als een  tweejarige, hoewel ik er eentje heb die al aan de 4de jaargang toe is en daar bovenop al zin begint te krijgen om opnieuw te bloeien. Tja, het hoeft niet meer herhaald te worden maar deze winter …

P1010438.JPG

Hesperis Matronalis eetbaar ?

Ah,  ja natuurlijk anders zou ik er hier niet over beginnen.  In de “Plants for a future” database,  zowat de digitale bijbel der eetbare planten, krijgt deze  bloem slechts een score van 2 op de eetbaarheidsschaal. Vermoedelijk omdat zowel het blad als de bloemen best wel pittig zijn. Veilig is de plant wel,  zoals zowat alle telgen uit de brassicafamilie , hoewel sommige bronnen vermelden dat damastbloem als braakmiddel kan worden gebruikt. Daarvoor moet je er wel grote hoeveelheden van naar binnen werken en de plant is iets te scherp, zodat ik me moeilijk kan voorstellen dat dit snel zal gebeuren.  De zaadjes kunnen als kiemgroente worden gebruikt. Jammergenoeg,  heb ik vorige herfst er te weinig zaad  van verzameld,  anders had ik het zeker geprobeerd.

Voorproeven.

Zoals bij het koken zet ik niets op tafel dat ik niet eerst zelf heb geproefd en in de tuin snoep ik dan ook  regelmatig van alles waarvan ik weet dat het eetbaar is.  Zo heb ik snel ondervonden dat het blad echt niet te pruimen is wanneer de plant bloeit, maar ondertussen weet ik dat dat zo is met de meeste bloeiende eetbare planten en ook dat je moet gaan voor de jonge blaadjes. Bij de damastbloem vind je die in het midden van de roset.  Eerst smaakt het blad een beetje flets, dan krijg je heel kort een ietwat grassige smaak,  direct gevolgd  door het pittige van een mosterd.

En wat schafte de pot ?

Bwa, een groen ietwat bitter blad kun je natuurlijk altijd kwijt in een gemengd slaatje, waarbij je de smaak wat kunt uitbalanceren met een zachter smakend blad zoals veldsla of  gewone sla. Dat is trouwens ook het enige wat ik me zie doen met de bloemetjes. Op één uitzondering na die het zonder veel uitleg in de wok gooide, vond ik ook niet echt recepten voor de plant, dus heb ik, naar mijn gevoel,  een beetje vals gespeeld.

Inderdaad ! Pesto ! Nu maak ik regelmatig pesto zonder basilicum. Ik heb er al vanalles ingedraaid: brandnetels, rucola, tuinkers, groen van worteltjes, vogelmuur, kaasjeskruid,… De enige vaste ingrediënten in mijn pesto’s zijn grof zeezout en olijfolie, want ik doe er dus ook niet altijd look in, of parmezaan en de pitten kunnen evengoed walnoten, cashewnoten of zoals vandaag zonnebloempitten zijn.  Geen uitzonderlijke maaltijd dus, hier in de jardin.

De score

Tja, twee van de panelleden vielen al af. De man eet nooit groene pesto en zoon 1  heeft gekozen voor de pesto van zongedroogde tomaten die voor de man bestemd was en was aan het einde van de maaltijd gewoon vergeten te proeven.    Zoon 2 daarentegen, die sowieso dikwijls pesto voorgeschoteld krijgt, als alternatief voor tomatensaus vanwege zijn colitis ulcerosa, nam de opdracht wel heel serieus.  Hij omschreef de smaak als lekker in het begin, maar een mindere lekkere nasmaak. Nu, hij heeft dan ook een zeer sterk ontwikkelde smaakzin en kan smaken onderscheiden die de rest van ons niet proeven. Zelf vond ik de pesto gewoon lekker, zonder nasmaak.

Een culinair toppertje kun je de damastbloem niet echt noemen, en je honger zal je er ook niet  mee weten te stillen, maar van mij mag de plant blijven, als mooie bloem en nuttige plant voor bijen en vlinders.