Sh*t

“Hippie ” Mijn beide zonen scheppen er ontzettend veel plezier in om me te pas en te onpas zo te noemen.  Niet dat het er hier zweverig aan toe gaat of dat ik getooid in kleurige katoenen slobberkleren, volgehangen met kraaltjes en geurend naar wierook of patjoeli door het  leven ga, integendeel. Nee, ze maken zich vooral vrolijk over mijn  experimenten in tuin, keuken , badkamer en wasplaats om  zo zelfvoorzienend en ecologisch mogelijk door het leven te gaan. Meestal gaan ze ook wel mee in het verhaal en komen ze zelf al eens met een voorstel op de proppen, behalve die keer dat ik over een composttoilet begon. ieew ! De afkeer bleek zo groot, dat er ogenblikkelijk beslist werd te stemmen -dat komt er van als je je kinderen naar democratisch onderwijs stuurt- en ik met  3 tegen 1  het idee onmiddellijk mocht opbergen.   Keiharde argumenten op tafel gooien mocht niet baten. Beslist is beslist, ik mocht er mijn mond niet meer over open doen.

Uit noodzaak

Tot jongste zoon kort na onze verhuis naar de jardin last kreeg van diarree. Hij had al altijd gevoelige darmen gehad, maar dit was anders. Chronisch, explosief en pijnlijk, dag en nacht, de “ongelukjes” waren niet meer te tellen.  De diagnose, colitis ulcerosa,  betekende niet meteen een oplossing, maar luidde een nog steeds aanslepende zoektocht  naar  de juiste medicatie in.

Ons nieuw optrekje telde maar één (ijskoud) toilet zo’n  dikke 20 meter verwijderd van de slaapkamer van de jongste zoon, vooral ’s nachts mondde dit uit in kleine drama’s. Schuldgevoel omdat hij het weer net niet had gehaald, chronisch slaapgebrek omdat hij mij niet wou wakker maken en alle sporen zelf trachtte te wissen, door en door koud en afzien van de pijn. Een moederhart breekt voor minder.

Ik vond een rechthoekige 30 liter emmer met deksel. Een afgedankte wc bril bleek  er precies op  te passen. Als afdekmateriaal  verzamelde  ik droge bladeren uit de tuin, en plaatste de emmer in het overloopje naast zoons kamer. Onze nachten verliepen terug wat rustiger. Het zag er niet uit, was veel te laag, maar ik duldde geen commentaar, dit was een gedeeltelijke, maar snelle oplossing voor een ernstig probleem.

Bij de aanvang van de eerste fase van onze verbouwingswerken verhuisde zoons slaapkamer naar de kamer met enige toegang tot het spoeltoilet. Aanvankelijk kon het geïmproviseerde composttoilet opgeborgen worden, maar een tweede toilet bleek toch onontbeerlijk. Jongste zoon had zijn slaap broodnodig, we stoorden hem liever niet.  De tweede fase van de verbouwingswerken , waarbij de badkamer zou worden afgewerkt zou nog enige tijd op zich laten wachten, dus het composttoilet maakte opnieuw zijn entree

Doe het zelf

Die lage emmer, die waarschijnlijk ons gewicht niet lang zou kunnen dragen werd inderhaast vervangen door een oude stoel, ontdaan van simili lederen kussen, met een ovaal gat in de zitting op maat van de wc-bril. Een hoog plastiek curver vuilbakje paste er precies onder . ‘T was maar tijdelijk, dus veel aandacht besteedden we er niet meer aan. Snel bleek dit model toch voor verbetering vatbaar, er durfde al eens wat plas tussen emmer en zitting terecht te komen en het vuilbakje zonder hengsel  was nogal zwaar in gevulde toestand. De soms klotsende tocht naar de composthoop was daardoor niet zo’n prettige onderneming. Na verloop van tijd begon er zich een bruinig laagje te vormen in de plastiek emmer die je er niet met even spoelen uit kreeg en waardoor ook geurtjes bleven  hangen.

 

Ondanks deze minpuntjes was het composttoilet niet langer een controversieel onderwerp in ons gezin.  Toen aan het einde van de tweede verbouwingsfase bleek  dat  we een inschattingsfout hadden gemaakt  en het  tot wastafelmeubel omgetoverde dressoir  iets  te groot was om een comfortabele plaatsing van een toilet toe te laten , was de oplossing voor de hand liggend: retour composttoilet, want geen  waterafvoer nodig. In afwachting van een esthetisch verantwoord model, besloot ik om de oude stoel te pimpen. Een aantal plankjes op maat zagen om de emmer aan het zicht te onttrekken, een restje zwarte verf, twee rvs emmers (eentje als reserve)  en een passend deksel, meer was er niet nodig. Alleen voor het  “plas tussen emmer en zitting” probleem had ik niet meteen een oplossing. Nadat de man mij had zien sukkelen om een soort kraag in plastic tussen bril en emmer  te bevestigingen, kwam hij op het lumineuze idee om de emmer niet onder de zitting te plaatsen maar er in.  Het resultaat voldoet, wat ons betreft,  nog steeds  zowel esthetisch als op het vlak van gebruiksgemak.

Hoe werkt dat nu ?

In de handel zijn er allerlei modellen beschikbaar, waarbij urine gescheiden wordt, ventilatie is  voorzien,  het hoopje moet worden afgedekt met speciale doekjes, soit met alle mogelijke technische snufjes om zo dicht mogelijk  het “spoel het probleem weg” toilet te benaderen. Deze modellen zijn duur in aankoop, volumineus en meestal technisch ook niet zo eenvoudig te installeren.

Terwijl het principe o zo simpel is : een absorberende laag koolstofrijk organisch materiaal wordt in een emmer aangebracht, na de grote of kleine boodschap voeg je een laagje van hetzelfde organisch materiaal toe en dit totdat de emmer bijna vol is. De inhoud wordt vervolgens naar de composthoop gebracht, waar het bedekt wordt met een laagje hooi of ander beschikbaar materiaal. Vanaf dan doen micro-organismes en schimmels hun werk en na een jaar heb je goede compost, vrij van pathogenen, waarin zelfs residuen van medicatie niet meer in  terug te vinden zijn.

Nee, het stinkt niet, zolang je het na ieder gebruik voldoende afdekt en regelmatig de emmer leegt. Eerlijkheidshalve moet ik er bij vermelden dat dit wel kan verschillen al naargelang de hoeveelheid en het soort afdekmateriaal.  Het afdekmateriaal moet koolstofrijk zijn, het bruine materiaal van je composthoop zeg maar, pis en kak zijn in tegenstelling tot wat de kleur laat vermoeden stikstofrijk  en vertegenwoordigen dus het groen materiaal van je composthoop. Het meest voor de hand liggende materiaal zijn houtkrullen of zaagsel, maar tenzij je er geld wil aan uitgeven of een houtbewerker in de familie hebt, vergt het soms al wat zoekwerk om er aan te komen. Hier hebben we alle mogelijke materialen uitgeprobeerd : papier en karton snippers, verhakseld hout,  gevallen blad, hooi,  kortom alles wat we op een bepaald moment ter beschikking hadden. Houtkrullen of zaagsel dragen mijn voorkeur weg vanwege de goede absorptie, maar ze werken enkel optimaal wanneer ze een beetje vochtig zijn. Buiten bewaren volstaat om de juist vochtigheidsgraad te bekomen.  Vers bladafval en verhakseld hout absorberen niet zo goed, tenzij ze al een tijdje hebben liggen composteren. Hooi is mijn minst favoriete afdekmateriaal,  te lange vezels die weinig tot niets absorberen. Papier en karton snippers vallen vooral tegen qua geurabsorptie maar na het afdekken even besproeien met een plantenspuit kan helpen. Ook het composteringsproces van papier en karton duurt wat langer, ik vermoed  omdat het materiaal  aanvankelijk te steriel is.

Voor diegenen die lekkere geurtjes en luxe belangrijk vinden kan ik  een kommetje verse rozenblaadjes aanraden om ieder laagje mee af te werken.

Akkoord, er zijn plezantere klusjes dan het legen van het composttoilet en om één of ander mysterieuze reden ben ik de enige in huis die merkt dat de emmer vol is, maar het kost me amper 5 minuten. Daarbovenop put ik als gepassioneerd tuinierster,  meer voldoening uit het aanvullen van de composthoop,  dan het schrobben  van de porseleinen pot om ze te ontdoen van  aangekoekte remsporen en kalkaanslag. Ook het feit dat een mens daarbij soms moet grijpen naar  toxische substanties, misleidend verpakt als kleurige wc-eenden, kan ik niet in overeenstemming brengen met mijn groene principes. Het proper houden van een rvs emmer is trouwens een koud kunstje, na het ledigen volstaat het om de emmer uit te spoelen en er desnoods er even door te gaan met een wc-borstel.  Een emmer in rvs is geen noodzaak, maar zoals ik al schreef,  zijn plastic emmers na verloop van tijd minder goed schoon te houden en moet je ze toch  een 24u  buiten in de “week” laten staan wil je gebruik kunnen maken van een geurloos exemplaar.  De verleiding zal bestaan om een emmer van 20 tot 30l te scoren, kwestie van ze minder dikwijls te moeten ledigen,  maar de ervaring heeft mij geleerd dat het makkelijker is een keer vaker met een emmer van 15l op en af naar de composthoop te lopen dan met een zwaar exemplaar van 30l.

Ja,  ik gebruik de compost ook in de moestuin. Er zijn mensen die absoluut op veilig willen spelen en het eindresultaat enkel bij fruit- en sierbomen gebruiken. Dat kan, maar ik zie  eerlijk  gezegd het verschil niet met het gebruik van koeien, paarden of kippenmest in de moestuin. Dat zijn herbivoren, zegt u,  ja maar weet u wat de boer of de paardenliefhebber allemaal aan zijn beesten voedert? Van kippen is het geweten dat ze geen enkel bron van eiwitten links laten liggen dus waar zit het verschil ?  Ik weet daarentegen zeer goed  wat mijn gezin allemaal  naar binnen werkt.  Ook hier geldt voor mij eenzelfde redenering : waarom moeite of kosten doen om aan dierenmest te geraken voor een florerende moestuin, als je het eenvoudigweg zelf kunt produceren, met een minimale milieu impact nog wel.

Argumenten

De argumenten voor de keuze van het composttoilet zijn voor mij evident.  Als u bedenkt dat 10% van de wereldbevolking nog steeds geen toegang heeft tot zuiver water,  terwijl  wij  het doodnormaal vinden om  bij iedere toiletpassage zo’n  10l zuiver en drinkbaar water het riool injagen … ik moet daar toch even van slikken.

Wij mogen dan wel gratis regenwater en spaarknoppen gebruiken, maar daarmee is de kous niet af, want  wanneer we doorspoelen lijkt het wel alsof we verlost zijn van ons “sanitaire” afval, maar het duikt  hoe dan ook weer op aan het einde van het riool waardoor er  weer een pak energie en geld nodig is om de kwaliteit van dat water opnieuw acceptabel  genoeg te krijgen om het terug te kunnen lozen.  De toegepaste zuiveringsmethodes zijn niet 100%. Om maar een voorbeeld te noemen :  het is bewezen dat de oestrogenen afkomstig van de pil in onze waterlopen invloed  hebben op de  geslachtsvorming van in het wild levende vissen. Probeert u zich eens voor te stellen wat er allemaal in dat water terecht komt  en welke impact dat zou kunnen hebben, ik kan niet dat alvast niet, maar ik vrees dat het gezegde “wat niet weet , niet deert” hier niet op gaat.

Zelfs al beschik je over een individueel zuiveringssysteem , al dan niet met planten, het “harde” materiaal moet  nog steeds, voor er zuivering  plaats kan vinden,  opgevangen worden en nadat het een jaar of 3 onder anaerobe omstandigheden(door het water) toxisch heeft liggen wezen, moet het hoe dan ook weggehaald worden. Weet u wat er mee gebeurt nadat de mestboer is langs geweest ? Als het goed is, loost  deze het op zijn beurt in een openbaar rioolzuiveringsinstallatie,  het probleem blijft m.a.w. hetzelfde. Uiteindelijk komt alles terug terecht in onze oppervlaktewateren en dus ten lange leste ook in ons leidingwater, sorry , maar dat vind ik pas een vies idee.

Er kan nog wel even worden doorgegaan met het aanleveren van argumenten voor het gebruik van composttoiletten en ik bevind me in de luxepositie dat ik eventuele tegenargumenten hier niet hoef te beantwoorden, maar laat ze gerust op me los in de commentaren, ik zal mijn best doen. Stel dat  ik u toch getriggerd heb met dit stukje  en u meer wilt weten, wel er is de klassieker “The humanure handbook” van Joseph Jenkins  (zelfs gratis down te loaden) of u kunt eens een workshop bijwonen van deze mensen, wiens creaties zelfs al in het MAS te bewonderen zijn.

 

Missers van het seizoen (1)

‘ T is niet omdat een mens  al vier jaar een tuin heeft en er sinds begin dit jaar een tuinblog op nahoudt, dat men zich een volwaardig  en succesvol tuinier kan noemen , dus dacht ik, in plaats van mijn prachtige tomaten , overvloed aan courgettes (iemand nog een leuk recept ?) en kleurrijke slaatjes te showen , laat ik het eens hebben over de geflopte projectjes, de  faliekant afgelopen experimentjes en de niet meer voor herhaling vatbare ideetjes.  Mijn eerste misser  hoef ik  niet ver te zoeken. Onderstaand stukje staat al maanden in mijn concepten, tijd om het eens boven water te halen  ( belabberde woordspeling, ik weet het).

“Gley” of het vijvertje zonder folie.

Nog voor ik een tuin had wou ik een vijver.  Water zorgt voor extra leven en  tegelijkertijd ook rust. Toen ik nog in de grote stad woonde had ik met een tweetal cementemmers, wat stenen en wat plantjes, onder het mom dat dat leuk was voor de jongens,  een klein waterpartijtje in elkaar geknutseld. Uiteindelijk bleek dat het vooral mama was  die zich er mee kon uitleven. Uren kon ik naar het waterleven staren, want hoe klein ook, er zat leven in. Watervlooien, kevertjes, libellenlarven, zelfs visjes.  Samen met mijn jongens waren we daarvoor gaan vissen in de vijver in het park. Toen we naar de jardin verhuisden werden de vijvertjes ontmanteld en de visjes door een vriend als aquariumdieren “gered”.  Sindsdien blijft het verlangen naar een vijver. Alleen zijn er altijd andere prioriteiten,  een deftige badkamer bijvoorbeeld en regenputten en …  Ik ben een beetje koppig en ook ongeduldig, maar ook rap content, al zeg ik het zelf. Het moet niet groot zijn, dat vijvertje en het zal ook niets kosten en weet je wat, ik zal er niemand mee lastig vallen, ik doe dat wel allemaal zelf. Gewoon een kleintje, midden in de moestuin, voor de kikkers en de padden, die eten slakken en ik kan er waterkers in kweken. Zo moeilijk moet dat toch niet zijn, een gat in de grond graven en zie  :

P1010808 (1).JPG

Nee, zo naïef ben ik niet. Tenzij er genoeg klei in de grond zit en je de grond voldoende kunt samendrukken, door er bijvoorbeeld met zwaar materiaal over te rijden,  kan je er misschien in slagen om  een poel waterdicht te krijgen. Een putje in leemgrond met een diameter van amper 1m en 75 cm diep krijg je niet waterdicht door er wat in te staan springen met rubberen laarzen.  In de meeste gevallen moet die waterdichte laag op één of andere manier aangebracht worden.  Folie, beton, betoniet, een voorgevormde plastieken vijver, geen denken aan ! Zelfs het alternatief met kattengrit wil ik niet uitproberen.  Ik wil dit doen met natuurlijke materialen, liefst van eigen erf.  Dus experimenteren we met “gley”.  De theorie is simpel : je creëert een ondoordringbare laag door organisch materiaal onder anaerobe omstandigheden te laten “rotten”. Het is een techniek die uit Rusland  zou komen en wordt toegepast met verse mest, daarbovenop maaisel en dan een laag aarde, alles netjes aangestampt en na een aantal weken is de put waterdicht. Ook de wijze waarop de mysterieuze “dew ponds”  in Groot-Brittanië werden gemaakt zou op hetzelfde principe steunen. Mysterieus, omdat de putten zich zouden vullen met water van mist en dauw en ze gemaakt werden door “the gang of dew  pond makers” die de knepen van hun vak angstvallig  geheim hielden.  We hoeven het zelfs niet zo ver te zoeken. Als kind ving ik kikkervisjes in de dichtstbijzijnde “koeienput”,  gewoon een  put waar koeien konden drinken.  De boeren die zo’n put groeven, die hadden ook geen folie, maar konden op hun dieren rekenen die met hun mest en veelvuldig  hoefgetrappel zo’n put zelf waterdicht kregen.

Ik heb geen mest en ook geen koeien, laat staan hoeven. Wel heb ik een composthoop, waar ik tijdens de winterdagen te weinig bruin materiaal heb aan toegevoegd en die daardoor een beetje naar mest ruikt. Ik heb ook een zware paal, één hoef dus, daarmee kan ik  de compost op de vlakke delen aanstampen. Voor de verticale delen wordt het adem inhouden en  compost, of  liever het half verteerde spul wat er voor moet doorgaan, aandrukken met de hand.  Heb ik u al gezegd dat ik ongeduldig ben ?  Ik kieper er meteen een aantal emmers water in, dan is het meteen anaeroob, toch ? Ik installeer mij in het zonnetje en bewonder mijn werk. Het water komt echter niet tot rust, het lijkt wel alsof het vijvertje een  hartslag heeft, het is de zuigende kracht van de aarde. Experiment mislukt ? Bwa, de volgende dag staat er toch nog steeds een bodempje water in de poel.  Die koeien doen dat ook niet in één dag, dus bedenk ik dat als ik iedere dag een tijdje een éénbenige koe imiteer,  het met wat geduld en potenkracht wel moet lukken.   U kunt zich misschien voorstellen hoe zoiets gaat. Mijn imitatiesessies worden iedere dag een beetje korter. Na een dag of drie hou ik het voor bekeken. “Opnieuw uitgraven en bekleden met plastic” oppert de man wanneer ik hem inlicht over mijn viervijfde mislukking. Zoals ik al zei, ik ben koppig en besluit mijn huiswerk over te doen. Het belangrijkste lijkt het creëren van een anaerobe omgeving, in het Russische voorbeeld wordt daarvoor een laag aarde gebruikt, maar mijn mini-vijvertje is al niet diep. Afdekken met plastic, papier of karton wordt ook vermeld. Ik beslis om voor nat papier te gaan.  De laag aangestampte compost laat ik zoals ze is. Daarover gaat een dikke laag gemaaid gras. Doordat het gras al wat begint te composteren kan ik het makkelijk op de zijwanden van de vijver plakken en druk het zo hard aan als ik kan. Natte vellen papier worden erover gedrapeerd tot alles mooi bedekt is. Komt dat opgespaarde  inpakmateriaal toch nog eens van pas.  In het lentezonnetje droogt het  natte papier echter zienderogen op en komt meteen los. Dan toch maar een laagje aarde.  De leem die  ik onderuit het vijvertje heb gehaald vermeng ik met water en lijm bij wijze van spreken de papieren laag er mee vast. Nu komt het moeilijkste : 2 tot 3 weken geduld !

“Doe dit niet tijdens het regenseizoen” stond er op één van de sites. Twee dagen later regent het de hele dag door evenals de daaropvolgende week en de week daarop.  Ik lees ook dat de anaerobe laag vochtig moet blijven, dus bekijk ik het positief en gok ik erop dat de regen dat deel van de klus alvast verzekert. Mijn grootste vrees is dat de regen de leem zal wegspoelen, maar bij een avondlijke inspectie blijk dat mee te vallen. Er lijkt zelfs al wat meer water in het poeltje te staan en dus markeer ik het waterniveau op een stok. Iedere dag meet ik netjes de hoeveelheid water.  De regen blijft vallen maar het waterpeil in de bodem van het poeltje verandert nauwelijks.  Aan het einde van week 1 begin ik al aan een herbestemming voor “het gat”  te denken en  de hoop om deze techniek later toe te passen op grotere schaal begint te wankelen. Nog wat geduld, hou ik mezelf voor.

En wat gebeurde er toen ?

Geduld was blijkbaar niet hetgeen nodig was, door de renovatiewerken   verdween mijn vijvertje  op de achtergrond.  Begin juli , dacht ik er alsnog een cementemmer of folie in te plaatsen.

DSC_0012.JPG

maar ook dat kwam er niet van , met als resultaat :

DSC_0129.JPG

een boobytrap voor eventuele ongewenste bezoekers.

En wat hebben we geleerd ?

Dat technieken voor grotere projecten  niet noodzakelijk  ook  geschikt zijn voor hele kleintjes en dat improviseren met materialen zo zijn gevolgen heeft.   Dit putje zal uiteindelijk toch een folie laagje krijgen. Mijn verlangen naar een deftige vijver is daarmee nog niet gestild. Binnenkort komt de regenputman terug langs met zijn graafmachine, voor een ander project. Terwijl hij er dan toch is  kan hij een grotere put graven op een lager gelegen deel in de tuin . Ik vermoed/hoop  dat er genoeg klei in de grond zit zodat we  folie alsnog achterwege kunnen laten … en lukt dat niet dan noemen we onze vijver toch gewoon poel.

P1020198.JPG

genoeg klei in de ondergrond ?

Verwaarloosd

Yep, de blog , de tuin,  allemaal verwaarloosd. Het huis ging met alle aandacht lopen. Er werd gegraven, geboord, geschaafd, geslepen, gepleisterd, geschilderd, … maar het einde van al dat werk is in zicht en we kunnen  al volop genieten van  eenvoudige maar pure luxe.

Zoals een bad “with a view”

DSC_0066

Toegegeven, momenteel nog wat kaal , maar de krentenboom trekt een verscheidenheid van vogels aan en als het herfst wordt kleurt de kardinaalsmuts prachtig rood.

Puur, chloorvrij, zacht en lekker hemelwater rechtstreeks uit de kraan.DSC_0096 (2).JPG

 

En de tuin  … tja,  die werd de afgelopen maand(en) aan zijn lot overgelaten. Eerst was het te nat en bleef je steken in de modder.

DSC_0003.JPG

Daarna werd de toegang grotendeels belet door de aanleg van de regenputten en toen die in de grond zaten kwam er nog meer regen. De plannen voor onder andere een kruidentuin bij de achterdeur werden wegens andere prioriteiten nog even opgeborgen en nu is het het ontkiemend gras die ons de toegang belet.

DSC_0094.JPG

De grillige mei en  natte junimaand zorgden er trouwens voor dat mijn enthousiasme voor de tuin onder nul zakte. De spinazie schoot meteen door en de radijzen waren houterig.  De moestuin rook naar rotte ui.  De aardbeien die niet werden opgegeten door vogels of slakken, beschimmelden terwijl je er op stond te kijken. De lookoogst is amper genoeg om de zomer  door te komen en de aardappelen kregen voortijdig last van de plaag.  Niets leek te normaal te groeien behalve het gras maar dat kon met al die nattigheid niet worden gemaaid.

En dan, als je het eigenlijk een beetje hebt opgegeven, ontdek je dit :

DSC_0118.JPG

Mocht de haag het zicht niet belemmeren,   mijn buurman met de gemillimeterde moestuin zou  meewarig het hoofd schudden.  Dat deze moestuin ontworpen is op basis van een mengelmoes van permacultuurtechnieken kon u hier lezen. Ook liet ik me bij de aanplant inspireren door het principe van de “schijnbare chaos“, alleen mag u in mijn geval ook het woord “schijnbaar” laten vallen. Mijn tuinplan (jawel, er was een tuinplan) bleef namelijk in de regen liggen, waardoor ik me maar vaag kan herinneren wat ik waar heb gezaaid of geplant. Ik zal dan ook moeten afwachten  of de kolen nu broccoli , witte kool of spruitjes zijn.  Voor wieden en mulchen was geen tijd , maar de grond is ondertussen helemaal bedekt en niet alle vrijwilligers zijn onkruid : tomaten bijvoorbeeld . Geen idee of de compost niet voldoende  was opgewarmd of  dat ik vorig jaar  een aantal  tomaten over het hoofd heb gezien, ze hebben het in ieder geval naar hun zin.  De goudsbloemen, oostindische kers, komkommerkruid, kamille, moederkruid, dille, rucola en korenbloemen, allemaal hebben ze in hun eentje  beslist om te groeien waar ze groeien. Tijdig oogsten zat er ook niet in. Van de  geel witte bloemen op de foto hier onder, shungiku of gekroonde ganzenbloem, daarvan oogst je  normaal gezien het jonge blad, voor de bloei en ook de silenes waren als bladgroente bedoeld, tenminste voordat ze dus bloeiden.

DSC_0112.JPG

 

DSC_0116.JPG

Ondertussen proberen we dat toch te doen, dat oogsten :  er is komkommer, sla, courgettes (veeeel courgetttes) , worteltjes, raapjes, bietjes, snijbiet, boomspinazie, rode melde,  en zelfs de prei heeft het hier nog nooit zo goed gedaan. De uien die niet zijn weggerot of in bloei schoten mogen eerstdaags ook uit de grond.

DSC_0103

DSC_0104

DSC_0106

 

DSC_0101.JPG

DSC_0102.JPG

Het heeft dus wel zijn voordelen zo’n polycultuur aan zijn lot overlaten, je ziet gewoon niet wat er fout gaat. Slakkenplaag, bwa, nee,  geen last van gehad. Ze zijn er wel , maar aten waarschijnlijk alleen de kneusjes, want er is niet echt iets wat ik mis, of misschien ben ik gewoon vergeten dat ik het heb geplant. Onkruid, pfff dat is gewoon levende mulch.  Bladluizen ? De ene dag zijn ze er en de volgende dag weer verdwenen, het enige wat overblijft is een patrouillerend lieveheersbeestje.  Rupsen , eerlijk gezegd  is het me een raadsel waar die rondfladderende koolwitjes hun eitjes deponeren, ik gok er op dat ze de kolen simpelweg niet vonden. Misschien moet ik nog eens goed kijken.

Minpuntjes ?  Tja, het oogsten is letterlijk een zoektocht en als ik eerlijk ben, mag het toch iets overzichtelijker , maar het is wel wat ik wou :  veel oogsten voor weinig werk, diversiteit en een paradijs voor insecten, vlinders en vogels.  En mooie beelden er bovenop, toch ?

DSC_0114

DSC_0086.JPG

DSC_0115.JPG

DSC_0109.JPGDSC_0105.JPG

DSC_0080.JPGDSC_0111.JPG

DSC_0085.JPG

Hemelwater

Hoewel het ook hier serieus nat was de afgelopen dagen, ga je mij er niet over horen klagen.  De gebeurtenissen in de jardin hebben momenteel alles met regenwater te maken.

Ik weet niet hoe dat bij u gaat , maar  bij ons lopen de dingen nooit zoals gepland en ondanks de chaos die dat dikwijls met zich meebrengt, blijkt dat achteraf bekeken steeds een goede zaak te zijn.  De planning was, dat er in het vroege voorjaar regenputten zouden geïnstalleerd worden om daarna een slaapkamer, badkamer en een, euh hoe noem je zoiets, mudroom/washok/bijkeuken af te werken. Iets in het universum moet gedacht hebben dat als de bewoners van de jardin dan toch in de vuiligheid moeten zitten , dat dan maar beter in één keer kan.  Zo komt het dus dat terwijl er binnen volop gepleisterd wordt, er zich buiten twee graafwerkers aandienen. Er moet nog een “beetje” plaats gemaakt worden.  In allerijl  verplaatsen we een vijftal  palet houtbergingen, dit alles opgesmukt met de nodige blauwe plekken en gevloek (helpende tienerzonen, weet u wel). Het is even slikken als ik zie hoe krentenboom en kardinaalsmuts gehalveerd worden en iets erna ook de cornus alba elegantissima letterlijk wordt weggeveegd.

Een half uurtje later is de vloer van de vroegere bijkeuken opengebroken, blijkt het gebouwtje waarin ons toilet staat, gevaarlijk  boven een ongebruikte beerput te hangen (logisch eigenlijk), valt de elektriciteit uit  omdat ergens een kabel is geraakt en zie je geen hand meer voor ogen in mijn slaapkamer door binnenwaaiend betonstof. Euh, misschien had iemand de deur moeten dicht doen voor  die gigantische slijpschijf door de betonvloer ging. En tussendoor nog razendsnel beslissingen nemen over wacht en drainagebuizen, het steekt in zo’n gevallen blijkbaar niet nauw op een gaatje en een sleufje meer of minder.

Aan het einde van dag twee zit de eerste regenwaterput van 6000 l en een opvangput voor afvalwater al in de grond.  Indrukwekkend hoe precies die man kan werken met zo’n enorm gevaarte. Waar wij ons eindeloos het hoofd over breken, zoals het plaatsen van afvoerleidingen en technische wachtputjes, blijkt dat voor deze vakmensen kinderspel, 5 minuten denkwerk in combinatie met het juiste materiaal en de klus is geklaard.

Het week-end zorgt gelukkig voor twee dagen stilte. Maandag gaan de graafwerken gewoon door en volgen er nog twee regenputten van 6000 l en een passief waterzuiveringssysteem.

P1020216.JPG

Het lijkt een beetje tegenstrijdig,  al dat grof geweld in een blog met “eenvoudiger leven” als ondertitel, toch stelt deze ingreep ons in staat om zo dicht mogelijk tot een gesloten kringloop te komen wat  ons  watergebruik betreft.  Als deze werken achter de rug zijn, kunnen we zo’n 18.000 l regenwater opslaan en zijn we niet langer afhankelijk  van leidingwater, tenzij er periodes uitbreken van uitzonderlijke droogte. We beperken het gebruik van regenwater niet tot  de wasmachine, het spoeltoilet en de  buitenkraan, nee, alle kranen worden op het systeem aangesloten.   In de keuken komt daarvoor  een bijkomende filter waardoor we het regenwater ook kunnen drinken.   Een mens heeft gemiddeld 5 liter drinkbaar water nodig om in zijn drink- en kookbehoeften te voorzien. Waarom moet al het andere water wat we gebruiken dan ook met chloor behandeld worden?  Na gebruik, wordt het afvalwater gezuiverd via een soort zandbed en komt het terecht waar het hoort, in de grond, waar het weer beschikbaar is voor  planten of kan doorsijpelen tot de grondwaterlagen.   We zijn niet aangesloten op de riolering en sinds begin dit jaar geldt er hier een wettelijke verplichting om  in te staan voor de eigen waterzuivering, maar zelfs mocht dit niet het geval zijn,  we wilden hier hoe dan ook werk van maken. Wat de zuivering betreft droomden we aanvankelijk van plantenzuivering in combinatie met een vijver, helaas is de Waalse wetgeving hieromtrent complexer geworden de afgelopen jaren en door het feit dat het grootste deel van de tuin landbouwgrond is, werden we geconfronteerd met een onontwarbaar kluwen van regeltjes, waardoor alleen al het verkrijgen van  vergunning een half jaar in beslag zou nemen.  We kozen daarom voor het  Enviroseptic systeem, wat qua oppervlakte nog net binnen onze “bouwzone” kon en  de papieren rompslomp bijgevolg een pak simpeler houdt. Daarnaast proberen we de minst schadelijke schoonmaakmiddelen  en zepen te gebruiken en komt er een droog toilet.  Is dit nu “het systeem” om de waterproblematiek  aan te pakken ? Eerlijk gezegd weten we dat niet. Sommigen zullen beweren dat het allemaal nog meer low tech en ecologisch kan en wat vandaag als milieuvriendelijk wordt omschreven, blijkt dat morgen weer niet te zijn. Wij kunnen niet meer dan er van uitgaan  dat iets doen beter is dan niets.

O ja, wij vonden de nodige achtergrond informatie die hielp bij onze beslissing en de uitvoer op de  site “Eautarcie“, een aanrader.

Eten uit een wilde tuin: jonge scheuten

Minstens één keer per maand wou ik u een receptje met ongewone eetbare planten uit de tuin voorschotelen , getest en gekeurd door de bewoners van de jardin. Door gezondheidsperikelen van de jongste zoon werd het proeven en experimenteren even op pauze gezet. Niet dat er geen  wilde planten werden geserveerd, maart en april zijn nu eenmaal maanden waarin de eetbare onkruiden het eerste verse groen is, wat je uit de tuin kunt halen.  Brandnetel werd soep en thee en bloedzuring ging in de puree.   De eerste blaadjes daslook waren meer dan welkom, gezien de lookteentjes in deze periode van het jaar beginnen te schieten en ik look  als  een onmisbaar ingrediënt beschouw  in de keuken.   Er  werd en wordt hier nog steeds goed gesmaakte pesto en kruidenboter van gemaakt, het vervangt  look in soepen en sauzen en zal dit blijven doen tot na de bloei. Ook de bloemen belanden één dezer zeker nog in een slaatje, ze geven er een lekkere pittige toets aan.

Timing

Ik wou het dus hebben over jonge scheuten, want  heel wat eetbare wilde planten zijn dan op hun lekkerst. Naarmate ze groeien worden ze dikwijls te taai, te harig of te bitter.  Als je jonge scheuten wilt moet je de oogst natuurlijk precies weten te timen en klaarblijkelijk maak ik op dat vlak  nogal eens inschattingsfouten.  Zo wou ik dolgraag daglelie en hosta scheuten uitproberen, niet meteen “wild” , maar ook  niet de meest gangbare groenten.  Helaas,  terwijl ze de ene dag pas komen piepen, staan ze de volgende dag al volop in het blad, in beide gevallen had ik moeten oogsten bij het nemen van de foto. Niet erg, zowel hosta als daglelie bloeien later op het seizoen en ik  snoep graag van de knapperige bloemen. Maart en april zijn ook nog eens maanden waarin het moestuinseizoen uit de startblokken schiet.  In de tijd die ik in de tuin kon doorbrengen ging al mijn aandacht vooral naar de meest dringende klusjes, waardoor er geen tijd meer was voor het bijeenzoeken van genoeg gewenste scheuten om een gezin van vier te voeden. De formule van eten uit een wilde tuin werd bijgevolg  een beetje aangepast. In plaats van uitgebreide gerechten, die de hoofdmoot van de maaltijd moeten vormen, koos ik voor de simpelste en snelste bereidingen, want door de slechte timing bleef de oogst beperkt. Geloof me, hongerige pubers  is iets wat een mens ten allen tijden moet vermijden, dus werden de ongewone  groenten opgediend als kleine bijgerechtjes.

Zevenblad

Ik denk niet dat zevenblad moet worden voorgesteld, zeker niet als het in uw tuin te vinden is. In de jardin wordt zevenblad getolereerd  onder de oostelijke haag langs het bospad en mag het zelfs bloeien, want mooi is het wel en insecten zijn er dol op.  Op alle andere plekken waar het opduikt  wordt het onverbiddelijk en veelvuldig gemaaid, in de hoop dat de plant op die manier uitgeput raakt.  Ik gebruikte het wel al eens ter vervanging van peterselie en draaide  het al enkele keren gestoofd met een uitje en gemengd met verkruimelde feta in een bladerdeegje, maar hier ten huize ging de voorkeur absoluut uit naar de spinazie versie van dit gerecht. Ik  vond de smaak zelf ook niet echt denderend en ging er  dan ook  van uit dat je het slechts in kleine hoeveelheden kon gebruiken  in combinatie met andere smaakmakers. Tot ik las dat de jongste scheuten, wanneer het blad zich nog net niet heeft  ontrold, het lekkerste zijn.  De eigenschap van zevenblad om zelfs na een maaibeurt meteen weer op te schieten kwam me deze keer van pas, ik hoefde niet lang te zoeken naar jonge scheuten. Twee vliegen in één klap ! Mijn nieuwe aanplant veilig gesteld tegen aanrukkend zevenblad en ook nog iets voor op tafel.

P1010982.JPG

De bereiding kan niet simpeler, na grondig spoelen, stoom je de scheuten tussen de vijf  à tien minuten, afhankelijk van de hoeveelheid. Een beetje zout, olijfolie of gesmolten boter is alles wat het vraagt. Voor het zevenblad op tafel kwam proefde ik voor en vond het buitengewoon lekker, een zeer typerende smaak die je nergens anders mee kan vergelijken. De spelregels van deze reeks ten spijt, heb ik de klaargemaakte portie helemaal zelf opgegeten. Ik vond het zo lekker dat ik eigenlijk geen zin had om het met mijn mannen te delen.  De twee jongsten zouden het toch niet lusten, ik ken mijn pappenheimers, jong zevenblad heeft nu eenmaal een smaak waar je van houdt of niet. Als de smaak je wel bevalt en het staat ook nog eens in je tuin is het toch mooi meegenomen dat je door deze, op zijn zachtst uitgedrukt invasieve plant,  te bestrijden, jezelf verzekert van lekkere jongen scheuten tot ver in het seizoen.

Berenklauw en fiddleheads

Deze twee planten hebben me in snelheid gepakt, vooral de fiddleheads. Fiddleheads zijn eigenlijk niets anders dan het nog niet ontkrulde spiraal van het jonge blad van de struisvaren. Dat ontvouwen kan dus snel gaan, stelde ik vast.  Nu, varens determineren vind ik niet makkelijk, in de jardin staan er verschillende en als dat blad nog niet ontkruld is, heb je als leek weinig  aanknopingspunten om uit te vinden welke varen je voor je hebt. Afhankelijk van de bron zou ook adelaarsvaren hiervoor in aanmerking komen, één ding staat wel vast, ongeacht de soort speel je op zeker door ze te koken of te stomen. In de U.S. en Canada, waar het blijkbaar meer gegeten wordt, werden diverse gevallen gesignaleerd  van voedselvergiftiging na het eten van de jonge varens.  De oorzaak bleef echter  onbekend. Er zit dus niet één of ander gevaarlijk stofje in, alleen is rauw eten een no no. Het criterium dat ik gebruikt heb om de geschikte varens te vinden was eerder ingegeven door gemakzucht : die met het minste bruin vlies, kwestie van niet lang te moeten prutsen om ze schoon te krijgen.

DSC_0046

Dat ook berenklauw eetbaar is doet waarschijnlijk bij velen de wenkbrauwen fronsen, want de naam roept direct de associatie op met horrorverhalen over  moeilijk te genezen brandwonden. Klopt, maar dan gaat het wel over de reuzenberenklauw  die in combinatie met zonlicht door fotosensibilisatie best wel gevaarlijk is.  Gewone berenklauw is niet geheel onschadelijk want het bevat de zelfde cumarinen en furocumarinen die verantwoordelijk zijn voor deze reactie, maar in mindere mate. Mensen die er gevoelig voor zijn moeten, op een zonnige zomerdag, zelfs oppassen met het oogsten van selder, want ook daarin zitten dezelfde stoffen. Een kwestie van niet in volle zon te oogsten (of wieden)  en er voor te zorgen dat er niet te veel plantensap op de huid terecht komt. Berenklauw duikt overal op in de jardin en dat heb ik aan mezelf te danken. Ik laat altijd een aantal planten staan. Soms omdat ik ze over het hoofd heb gezien, soms omdat ik de bloemschermen mooi vindt, maar vooral uit empathie met insecten en vogels.  De bloemen bieden nectar, de zaden zijn een welkome aanvulling voor vogels  en de holle stengels dienen als winterse schuilplaatsen voor insecten. De plant blijkt ook nog eens veelzijdig te zijn in de keuken, hoewel ik dat nog niet kan bevestigen. Ik vond interessante  recepten voor de bloemknoppen, de zaden zouden een lekkere toevoeging zijn aan kruidenmengsels en de wortel zou iets weg hebben van pastinaak. Deze keer was het me dus te doen om de jonge bladscheuten en ook hier was de natuur me te snel af en was de oogst beperkt.

Dat ik deze twee planten samen vermeld, is omdat ik besloot ze op dezelfde manier klaar te maken, niet vanwege een kant en klaar recept.  Beiden werden grondig gespoeld, een vijftal minuutjes gestoomd en daarna nog wat aangebakken in de pan met  boter tot ze lichtjes bruin zagen.  Zout en peper  naar smaak  toegevoegd.  De berenklauw verspreidt bij het bereiden een opvallende geur die doet denken aan kokosnoot, dat beloofde dus.

En ja hoor, zelfde scenario als bij het zevenblad : voorproeven en het zelf zo lekker vinden dat ik  het onopvallend presenteerde als “weer één van die wilde probeersels” met het gewenste effect. De mannen voelden zich niet geroepen te proeven, dus was het allemaal voor mij en het heeft mij gesmaakt ! Hadden mijn mannen wel de moeite genomen het te proeven, ze zouden het ook lekker hebben gevonden, want in tegenstelling tot het zevenblad leunt het smaakpallet van varen en berenklauw dichter bij wat we doorgaans op ons bord verkiezen.

P1010986.JPG

Ik weet dat wanneer je de berenklauw wilt verwijderen je ook de wortel er uit moet zien te krijgen, want terugkomen doet hij anders toch. Dit zou dus betekenen dat ook deze plant een kandidaat is waarvan je langer kunt eten door in te grijpen. Ik zal het zeker uitproberen. Achterin de tuin, bij het wilde hoekje ontdekte ik zeer veel berenklauw, een testveldje zowaar. Ik kijk er alvast naar uit om deze onverwachte groente nogmaals te bereiden. Ook de fiddleheads wil ik absoluut nog eens klaar maken, maar daarvoor zal ik een jaartje moeten wachten.

Rondje voedselbos eind april (2)

Beloofd is beloofd. De kruidlaag van de jardin  kon u al ontdekken in deel 1,  tenminste in het deel van de tuin dat ik tot voedselbos heb omgedoopt, want het gaat me in deze log vooral over planten die het goed doen in de schaduw of halfschaduw en die op dit moment van de lente zichtbaar zijn. Laten we het wat dieper in de grond zoeken.  Momenteel  heb ik nog niet zoveel eetbare knollen,  bollen of wortels in de jardin, buiten aardpeer,  look,  en het alom tegenwoordige nagelkruid.   Ik ben wel aan het experimenteren geslagen.  De look is dit jaar terechtgekomen rond de fruitbomen. Vorig jaar oktober was ik al van plan de moestuin (voor éénjarige groenten) voor de winter her in te richten , dus moest ik de look ergens anders kwijt.  Alliums zouden een goede companion zijn voor fruitbomen omdat ze ongedierte op een afstand houden en bijgevolg kom je nu op verschillende plaatsen in de tuin, aan de rand van de boomspiegels  een groepje look tegen. Ik laat er vast hier en daar nog wat staan, benieuwd naar wat er gebeurt als je ze behandeld als vaste plant.

Om het mezelf gemakkelijk te maken  en niet onnodig de grond te moeten verstoren, heb ik vlakbij de aardperen, waar nu  natuurlijk nog niets van te zien valt, ook voor het eerst crosne geplant.  Japanse andoorn dus, en die eerste blaadjes  lijken zo hard op die van de weelderig aanwezige bosandoorn, dat ik blij ben dat ik ze niet ergens in de bosrand heb gezet. Ik ken mezelf, het zou niet de eerste keer zijn dat ik iets weghaal wat ik eerst zelf heb geplant of gezaaid.  Het wordt een triootje, want ernaast komt oca of oxalis tuberosa , maar die staat op aanwijzing van de kweker nog in de serre voor te groeien.  In principe zouden ze alledrie in de grond kunnen blijven en kan je ’s winters oogsten wanneer je ze ook echt wil eten. Ik hoop maar  dat die twee laatste niet zo hard in de smaak vallen van de woelmuizen als aardpeer, want  hoe verder de winter vordert, hoe minder aardpeer er hier te vinden is.

P1010911.JPG

Iets verder in de tuin, aan de rand van het gazon een ander nieuwkomertje: de aardkastanje (Bunium bulbocastanum)  een inheemse schermbloemige die met uitsterven is bedreigd.  Het fluitekruid  doet het goed op deze plek, dus gok ik er op dat dat voor neef aardkastanje ook geldt.

P1010884.JPG

Dan zijn er natuurlijk de klimmers. Ook die bevinden zich niet echt in het voedselbos. De kiwi en de druif die overwoekeren twee kleine bijgebouwtjes vlakbij de achterdeur.  De kiwi mag dan wel tegen wat schaduw kunnen , maar de druif heeft absoluut zon nodig.  Wel is er een andere klimmer, die wat schaduw verdragen kan, maar er alles aan zal doen om het licht te bereiken : hop. Neen, nog geen bier gebrouwen met de bellen en het staat ook niet meteen op ons projectenlijstje.   Helaas  was ik ook dit jaar opnieuw te laat  om de scheuten te bleken zodat we ze konden proeven. Tja zo’n voedselbos, je moet het voortdurend in de gaten houden.  In het kamp van de eetbare klimmers is de hoop nu gevestigd op de zelf gezaaide kaukasische klimspinazie  of Hablitzia tamnoides.  De zaailingen deden het zo goed dat ik ze op verschillende plaatsen heb uitgeplant, hieronder zie je er eentje aan de stam van de gingko, vlabij  het triootje knollen die ik hierboven beschreef. Veel klimmen doet hij nog niet en of hij lekker is, dat zal de tijd nog moeten uitwijzen, wel is het me opgevallen dat de zaailingen gespaard bleven van slakkenvraat.

Tot zover de klimmers, op naar de struiklaag. Ik moet toegeven dat de combinatie met schaduw  wat moeizamer verloopt.  Van de bessen is de zwarte trosbes (ribes nigrum) de meest productieve in de schaduw, maar op de  overige telgen uit de ribesfamilie die mijn voedselbos bevolken vind ik amper bloesems, laat staan bessen, waardoor ik eigenlijk niet weet wat het voor variëteiten zijn.  Ik  heb deze winter van alle planten stekjes genomen in de hoop dat ik met wat geduld toch nog te weten kom wat het zijn. Ook duiken er steeds jonge ribesplantjes op aan de rand van  het bos. Ze mogen van mij gerust blijven staan, als ze het daar naar hun zin hebben, als ze ook nog beginnen dragen is dat mooi mee genomen.  De twee blauwe bosbessen kon ik wel determineren maar slechts op één vond ik één enkel bloemtrosje en de oogst bleef na drie jaar beperkt tot drie besjes. Ook van deze twee heb ik stekjes genomen met de bedoeling ze ergens anders in de tuin uit te proberen.

Pas op, aan bessen geen gebrek in de jardin. Ik weet amper wat aan te vangen met de vele frambozen en witte trosbessen  die  terug te vinden zijn  op wat zonnigere plaatsen in de tuin.   Toch zijn er nog nieuwkomers :  een honingbes  klaar om uitgeplant te worden,  die krijgt samen met zijn partner (voor de kruisbestuiving) een zonniger plaatsje, naast de vijg en in gezelschap van een drietal uit zaad opgekweekte gojibessen en een hazelaar zaailing waarvan ik hoop dat hij de enorme hazelnoten van zijn mama heeft geërfd.

Tot slot zijn er nog stekelige exemplaren : een szechuanpeperboompje , pas aangeplant dus hij moet nog bewijzen dat hij er niet om maalt om in de schaduw te vertoeven. Eentje die zeker niet van de schaduw houdt, is de  driebladige winterharde citroen (Poncirus trifoliata). Ik ontdekte pas recent wat dat stekelige bijna bladloze ding midden in het bos was.  Je eigen citroenen kweken, het leek me wel iets en bij het bestuderen van foto’s bleek  dat ik er al eentje had staan . Nee, citroenen heb ik er niet van geplukt,  kan moeilijk anders want deze staat echt wel in diepe schaduw en wordt  daarmee de volgende stekjes kandidaat. Toch is het de eerste keer dat ik er  bloemknoppen op ontdek en ook viel het me op dat er enkele weken geleden veel meer blad aan hing.  Vooral het krentenboompje en de twee gele kornoeljes gunnen hem later op het jaar geen straaltje zon meer, maar zelf zorgen die drie wel voor een enorme hoeveelheid bessen, netjes verdeeld over het seizoen. De tweede gele kornoelje rijpt zelfs later af dan de eerste, waardoor er bessen voorradig zijn van half augustus tot diep in september.

Tot zover dit rondje voedselbos, we komen later op het seizoen zeker nog eens terug, om de evolutie  tonen en ook de bomen en planten aan bod te laten komen die tot nu toe onvermeld bleven.  Toch wil ik u nog deze tip mee geven, mocht u  zelf een voedselbos  plan(t)(n)en voor uw nageslacht, hou  vooral rekening met de volwassen  omvang van bomen en struiken, het zou jammer zijn dat er door lichtgebrek na enkele decennia niets meer te plukken valt.

 

 

 

Rondje voedselbos eind april (1)

Ik vertelde u al waarom ik vind dat onze siertuin ook voor voedselbos  kan doorgaan, zelfs al was het oorspronkelijke ontwerp niet als voedselbos bedoeld.  De grootste blikvangers zijn natuurlijk de fruitbomen.  Madame Blairon, de ontwerpster van de tuin,  heeft wat dat betreft, jaren geleden, uitstekende keuzes gemaakt. Zowel de appels, peren en pruimen, allemaal kruisbestuivers, volgen elkaar netjes op zowel qua bloei als oogst.  Momenteel staat de wilde appel  volop te bloeien terwijl zijn buur, een oude Jacques Lebel (althans dat denk ik toch) pas over een paar weken er zal uitzien als een gigantische barbapapa.  Dit productieve oudje negeert daarbij ook nog eens alle beweringen over de negatieve invloed van zijn linker en rechter buur, de notelaars en van beurtjaren heb ik ook nog niet veel gemerkt. Iets verder vindt  je de eerste bloeiknoppen in een rode sierappel,  het jonge blad, de bloei en ook de appeltjes zijn diep rood en hoewel een sierappel, zorgen deze appeltjes voor een uitzonderlijke lekkere toets wanneer je ze verwerkt in appelsap.

Een voedselbos is geen boomgaard en  daarom wil ik u even meenemen om te zien hoe het op dit moment staat met die  andere groeilagen. In een pas aangelegd voedselbos heb je nog volop licht en kan je nog alle kanten uit met de verschillende groeilagen. Wanneer de  boomlaag een volwassen stadium heeft bereikt, zoals in de jardin, heerst de schaduw, waardoor het introduceren van nieuwe eetbare of nuttige soorten vooral een  zoektocht is naar de geschikte plaatsjes.   De kruidlaag bevatte al een aantal bruikbare  planten zoals citroenmelisse , wilde marjolein  (in tegenstelling tot wat je zou verwachten doet deze het hier uitstekend in de halfschaduw) varens, daslook, look-zonder-look en bosaardbeien. Ze voelen zich er duidelijk  goed want ieder jaar zie ik er meer.

Zelf voeg ik er, geleidelijk aan, nog meer soorten aan toe in de hoop zo de overheersende grondbedekking van gele dovenetel, brandnetel, zevenblad,hondsdraf, kleefkruid en klimop wat diverser maken.  Zo heb ik met succes zwartmoeskervel (Smyrnium olusatrum) geïntroduceerd. Misschien staat hij iets te veel in de schaduw, want bloeien heeft hij tot nu toe niet gedaan, maar in het vroege voorjaar is het een plezier  om die groene bos te zien blinken op een nog overwegend bruin gekleurde bosbodem, later in de zomer verdwijnt hij bijna helemaal.  Toen ik ontdekte dat je hostascheuten en  bloemen kon eten heb ik meteen een aantal exemplaren gescheurd en ze lijken aan te slaan.

De nieuwkomers dit jaar, in het bos althans,  zijn witte klaverzuring  (Oxalis acetosella) en lievevrouwebedstro (Galium odoratum), duimen maar dat hun plaatsje hen bevalt.

Nu hebben we het nog niet gehad over de struiklaag, de klimmers en wat zich onder de grond aan lekkers bevindt, maar de zon schijnt en de tuin roept, dus brei ik morgen nog een vervolgje aan deze log, beloofd !

Siertuin of voedselbos ?

De eerste keer dat ik in de jardin wandelde,  zag ik een ietwat verwilderde siertuin, met wel 8 tuinkamers, waaronder een rozentuin en een stukje bos. Het leuke was dat er al een aantal fruitbomen stonden en een netelbosje  met  frambozen, en dat stuk gazon, wel daar kon ik nog massa’s eetbaars in kwijt, met andere woorden :    een tuin met potentieel . Net zoals vele anderen die door de permacultuurmicrobe werden gebeten, droomde ik immers van een voedselbos. Een plek waar je, door de ecosystemen van een bos te imiteren, maar dan met eetbare en vruchtdragende planten en bomen, gespreid over alle mogelijke groeilagen,  een massa aan divers voedsel kan produceren, het hele jaar door en met een veel lagere energie-input dan  wanneer je  bijvoorbeeld een moestuin van dezelfde omvang zou onderhouden.

brulotte (2)

Nu ik ieder hoekje van de jardin ken en alle literatuur die ik kon vinden over voedselbossen heb doorgenomen, weet ik dat ik niet langer hoef te dromen van een voedselbos, ik heb er al één.  De jardin mag dan oorspronkelijk ontworpen zijn als siertuin met een knipoog naar zijn verleden als boomgaard, toch  zijn er verschillende redenen waarom ik het een voedselbos durf te noemen. Een kleine inventaris van de meest voor de hand liggende “voedselgewassen” levert het volgende lijstje op :   7 appelbomen, 6 pruimelaars, 2 zoete kersen, 1 kerspruim, 1 mirabel, 2 notelaars, 5 hazelaars, 1 mispel, 1 zelfbestuivende kiwi die goed vrucht draagt, 1 vijg,  2 druivelaars, een niet nader te bepalen aantal vlieren , witte, rode en blauwe trosbessen,  bosbessen, bosaardbeien, gele zomer- en  rode herfst-frambozen , bramen en 2 krentenboompjes.  Daarmee houdt het echter niet op,  van de verschillende soorten kornoeljes die er staan zijn er 4 met eetbare vruchten, namelijk 2 gele kornoeljes en de 2 japanse kornoeljes. In de gemengde haag vind je o.a. sleedoorn, meidoorn, eik, zure kers, lijsterbes, hondsroos, vogelkers en wilde appel, allemaal vruchten die je tot iets eetbaars kunt verwerken. Dat je in de lente berkensap kunt aftappen wist u waarschijnlijk al , maar dat het jong blad van beuk en linde ideaal zijn voor de sla is misschien nieuw voor u. En wist u dat het blad van op zijn minst één van de hortensias, de hydrangea macrophylla,  door  boeddhistische monniken wordt gebruikt om de thee te zoeten, of dat  de bloem van de sering  best wel lekker is als je het door een deegje haalt. Niet alle bomen en struiken die in de jardin staan zijn eetbaar, maar toch zijn ze op één of andere manier van nut.  Ik ben  bijvoorbeeld niet geneigd om van de gouden regen te gaan snoepen, maar als lid van de vlinderbloemfamilie is hij wel in staat om stikstof in de grond te fixeren en is daarmee ook zijn buren van dienst. We noemen we hem hier de zoemende boom, want eenmaal in bloei trekt hij zoveel bijen en hommels aan, dat het echt lijkt alsof het de boom zelf is, die staat te zoemen. De robinia is ook zo’n stikstoffixeerder en ik durf al wel eens vloeken als ik weer een uitloper tegenkom op een plaats waar het me niet zint, maar eigenlijk volstaat het zo’n uitloper af te knippen en ter plaatse te laten vergaan om opnieuw de bodem voeden.  De knotwilgen en populieren beschermen de jardin niet alleen tegen de wind, maar zijn tegelijkertijd nestplaats voor tal van vogels,  zorgen er voor dat de jardin er niet te nat bij ligt tijdens regenachtige periodes, hun vallend blad in de herfst is een warm en voedzaam mulchdeken voor de wintermaanden, het geknotte hout gebruiken we als brandhout en  de takken durf ik in een creatieve bui al eens te verwerken in een vlechtwerkje.  De vele soorten viburnums mogen dan alleen eetbare besjes produceren voor vogels, er is er altijd wel eentje die prachtig staat te bloeien of een heerlijk parfum verspreidt,  en zeg nu zelf , wie kan er iets op tegen hebben dat oog en neus ook verwend worden. De uit de kluiten gewassen sneeuwbes achterin de tuin herbergt het jaar door een aantal winterkoninkjes en de kardinaalsmuts en spaanse aak worden gretig bezocht door hongerige vogels. Zelfs de boerenjasmijn staat er niet alleen mooi te wezen , maar  de bladeren bevatten zoveel saponines dat je ze als zeepvervanger kunt gebruiken.

DSC_0065

Ik heb nu nog alleen maar  bomen en struiken de revue laten passeren, maar onder de grond en in de kruidlaag heeft de jardin ook heel wat eetbaars te bieden. Naast de gekende keukenkruiden zoals tijm, rozemarijn, citroenmelisse, allerlei muntsoorten en wilde marjolein, de vaste groenten zoals rabarber, asperge en artisjok,  of de eetbare “onkruiden” zoals brandnetel, zevenblad, vogelmuur, hondsdraf, paardenbloem, madeliefjes, berenklauw, nagelkruid (onkruid nr.2 in de jardin) en  kaasjeskruid, telt de jardin tal van eetbare bloemen : daglelie, hosta (een gewone groente in japan), hemelsleutel (niet de bloemen maar het blad)  muskuskaasjeskruid, alle campanula soorten, damastbloem, maarts viooltjes, pinksterbloem,  maar ook de rozen, of wat dacht u van een akeleiblad in de sla (wel van de zaden afblijven). En wat we zelf niet eten is voedsel voor bijen, hommels en andere insecten, van het longkruid en de sleutelbloem in het vroege voor jaar  tot de asters in het najaar.  De bovenstaande lijstjes zijn allesbehalve compleet en dan  heb ik het nog niet gehad over de eetbare vaste planten die ik  zelf aan het zaaien ben of straks ga uitplanten.

DSC_0049

Toch maakt  de jardin de belofte van tuin van overvloed nog niet helemaal waar. Er zijn hier en daar  een paar mankementjes in het ontwerp.  De zoete kersen, bijvoorbeeld,  zijn overheerlijk, maar je mag geen hoogtevrees hebben als je er van wil snoepen, bijgevolg zijn het vooral de houtduiven die er van genieten.  De grote bomen werpen ook te veel schaduw op een perelaar en tal van bessenstruiken, waardoor deze amper fruit dragen. Vroeg of laat zullen we moeten beslissen over het lot van deze fruitbomen, maar niet vooraleer we ze op een andere plek hebben vervangen, zie het als het imiteren van de natuurlijk successie in het bos, waar ook al wel eens een boom sneuvelt en plaats maakt voor ander soorten.  De hazelaars  zien er dan wel ieder jaar uit alsof ze kunnen figureren in een publiciteitsfilmpje voor Nutella , maar het zijn vooral de larves van de  hazelnootboorder die de oogst naar binnen werken. Er zijn alvast “kippentunnels” gepland, zodat de dames straks gericht kunnen gaan scharrelen in een poging deze pretbedervers wat in te tomen. Ook de bosbessen zouden een zonniger en zuurder plekje kunnen gebruiken. Kleine dingen eigenlijk,  waarvoor op tijd en stond de gepaste oplossing zich wel zal aandienen.

 

De voornaamste reden waarom wij als bewoners van de jardin nog niet volop genieten van de aanwezige  overvloed, is het gebrek aan kennis en ervaring op het vlak van bewaren en prepareren, maar ook  onze eetgewoontes zijn gewoon niet aangepast aan wat de jardin ons allemaal te bieden heeft.  Terwijl we in de loop van de zomer de kersen, aardbeien, frambozen en trosbessen nog de baas kunnen , verzuipen we vanaf het einde van augustus eerst in de mirabellen, dan de pruimen,  vervolgens  in  de appelen, peren en herfstframbozen en dat blijft duren tot eind oktober.  Buren, vrienden en familieleden  krijgen elk hun deel, en we maken sap, moes en confituur, maar  het is nog steeds een zoektocht naar de juiste methodes, perfecte organisatie  en lekkerste recepten.  Zo staan er nog steeds 10 potten frambozenconfituur in de berging waar niemand echt zin in heeft.   Vorige week heb ik nog twee kisten appels op de composthoop gekieperd, die stilletjes aan begonnen te gisten en ondanks bescherming blijkbaar toch bereikbaar waren voor inventieve merels. Dat mijn pogingen om de wat ongewonere groenten aan de man te brengen niet altijd even succesvol zijn, kon en kan  u volgen in de “Eten uit een wilde tuin” reeks. Toch blijf ik  geloven dat binnen niet onafzienbare tijd de jardin onze voornaamste voedselleverancier zal zijn.

DSC_0950

framboos, appel en mirabel op een mulchbedje van zelfgemaaid hooi

Om terug te komen op de titel, eetbare siertuin of voedselbos, volgens mij  doet het er blijkbaar niet zo veel toe welke naam het beestje  de tuin krijgt. De vele sierplanten en struiken in de tuin dragen niet alleen bij tot de diversiteit, maar zijn in andere oorden dikwijls een dagdagelijks groente of fruit. Het belangrijkste onderscheid zit hem volgens mij in de energie die je besteedt aan het onderhoud. In een voedselbos is het de bedoeling  dat de tuin  zich door het imiteren van natuurlijke processen tot op zeker hoogte zelf onderhoudt, in tegenstelling tot de gemanicuurde siertuin. Toen we de jardin ontdekten stond het onderhoud al enkele jaren  op een laag pitje en ik kan me niet van de indruk ontdoen dat dit de  weerbaarheid van de tuin een boost heeft gegeven,  want juist die planten die er op hun plaats zijn doen het  goed, zonder extra zorg. Dat gebrek aan onderhoud is ook  de diversiteit ten goede  gekomen, want ieder seizoen ontdek ik weer nieuwe wilde soortjes die  met het wegvallen van zorgenkindjes en een minder rigide snoei, wied en maai regime  vrijgekomen niches  weten in te palmen. Mijn persoonlijke voorkeur gaat trouwens ook uit naar een tuin die niet van het gladgeschoren type is, net zoals ik mijn man ook knapper vind met baard, zelfs al prikt het nu en dan misschien een beetje.

Oh , ja , het is voor mij zo vanzelfsprekend dat ik er gewoon niet aan denk om het te vermelden, maar in de jardin wordt niet gespoten met pest-, herb- of andere iciden. Ook kunstmest is volledig uit den boze, de jardin is voor het voeden van zijn bodem 99% zelfvoorzienend.  Enkele kruiwagens ezelmest, opgehaald bij de buur zo’n 200 meter verder, verwerkt in de compost, zijn zowat het enige extraatje  en zelfs dat is alleen  bestemd voor de moestuin met hongerige eenjarigen.

 

Van bramen en mulchen met takken.

P1010650.JPG

De jardin  was vroeger  een gewoon  boerenerf,  op traditionele wijze afgezoomd door knotwilgen, in ons geval op het westen.  De laatste keer dat die wilgen werden geknot moet zo’n 30, misschien wel 40 jaar geleden geweest zijn.  Knotwilgen met bovenop de knot vijf tot zeven meterslange dikke stammen,  blootgesteld aan stevige zuidwestenwinden, dat is er gewoon om vragen.  Vorige jaar knakten er bij een storm aan het begin van de zomer een zestal stammen, een maand later volgenden er nog eens vier. Het hout van de stammen en dikkere takken, daar wisten we wel raad mee,  verwarmen  en koken doen we uitsluitend met hout.  De  hoeveelheid  dunnere takken en bladeren daarentegen  was enorm. Te veel om  te dumpen in de kleine wildernis aan het einde van de tuin, zoals we meestal doen met snoeisel. Verhakselen lukte ook niet, de takjes waren nog te soepel en het zou een eeuwigheid geduurd hebben. Als je volledige achtertuin herschapen is in een slagveld van takken dan wil je dat gewoon zo snel mogelijk weg.

Mulchen met takken

Nu onder die hoge (ex)knotwilgen groeit er weinig gras.  In het voorjaar vind je er nog speenkruid, sleutelbloemen, narcissen en fluitekruid, maar tegen dat de zomer uit de startblokken is geschoten, gedijt vooral de brandnetel er uitstekend en bramen natuurlijk. Die eeuwige bramen, waardoor het bijna onmogelijk is om er te maaien. Ik herinnerde me een  log waar ze er in slagen om van een hoop takken groentebedden te maken, dus besloot ik  tak en blad in een dikke laag onder de knotwilgen te leggen en wat aan te stampen.  Op zijn minst zou ik daarmee de brandnetel al wat in kunnen tomen. Of het idee zou lukken en wat ik er later mee zou aanvangen zouden we nog wel zien. Ook de bramen verdwenen op die manier uit het zicht, niet dat ik verwachtte er op die manier van verlost te zijn. Hoe pril en theoretisch mijn tuinkennis ook mag zijn, dat het krengen zijn die je enkel weg krijgt door ook de wortels uit te graven en dat er meestal veel wortels zijn, gezien ze de grond maar moeten raken om wortel te schieten, dat was me al duidelijk geworden.  De man vond  mijn “takken border” maar niets, maar liet me begaan.  De zomer verstreek en aan de takken dacht ik niet echt meer, behalve wanneer de man er bij het maaien langs moest en ik hem iedere keer  binnensmonds  hoorde brommen op mijn bizarre permacultuur experimenten.

Bramenalarm

Nu het zonlicht ons  opnieuw naar buiten roept en de leegte van de winter ons alle hoekjes van de tuin laat herontdekken, vallen die bramen weer extra op.   Hun roodgroen overblijvende blad steekt af tegen de bruine takken van viburnum en haagbeuk en stilletjes aan proberen ze ook het gazon, de bessenstruiken en de compostbakken voor zich  te winnen.  Om te voorkomen dat ik straks bij de jaarlijkse wintersnoei,  het snoeisel vermeng met stukken braam en ongewild de verspreiding van die geniepige monstertjes een handje help,  startte ik de snoeiwerken dit jaar dan maar met een apart rondje “ontbramen”,  liefst met wortel en al, waar mogelijk.  Sepp Holzer, een bekende Oostenrijkse permacultuur boer, beweert dat enkel varkens  in staat zijn bramen uit te roeien, doordat ze de wortels  opgraven en opeten. Varkens op onze jardin loslaten ? Niet echt wat ik in gedachten heb,  dan maar zien hoe goed ik zelf het varken kan uithangen.

Valt dat tegen !  Al na een uurtje vechten met meterslange takken, die in mijn haren en kleren blijven haken of zich ongemerkt rond mijn voeten winden en me doen struikelen, in mijn gezicht zwiepen en met hun venijnige kleine doorntjes toch nog mijn handschoenen en jeans weten te perforeren, heb ik veel zin om er de brui aan te geven. Vooral dat wortels graven is er te veel aan.  Probeer je ze uit te trekken, dan breken de takken gegarandeerd af net boven de wortel, waardoor je ze amper nog kan lokaliseren terwijl je weet dat die nieuwe scheuten al klaar zitten om met dubbele kracht terug te komen. Ofwel blijf je uitlopers volgen en voor je het weet, zit je klem tussen de takken van die enorme gele kornoelje of in een yogaknoop rond het krentenboompje. Ik word er zowaar moedeloos van en besluit een rondje te gaan wandelen  in de hoop dat vers groen of pas ontloken bloemen me de energie zullen geven verder te gaan. Helaas , overal waar ik kijk, zie ik alleen maar oude verwilderde struiken, massa’s nog te doen snoeiwerk en nog meer bramen.

Dipje

Hoe krijg ik deze tuin ooit nog terug in een staat het bijvoegelijk naamwoord “fabuleux” waardig? Hoe ga ik ooit plaats kunnen maken voor al die fruitsoorten, kruiden en bloemen waarvan het zaad ligt te wachten in gelabelde zakjes of op mijn verlanglijstje staan?  Ik sus me met de gedachte dat over een aantal maanden al dat zogenaamde werk weer mooi verstopt zal zitten onder uitbundig blad. Ik moet geduld hebben. Als ik iedere dag een uurtje besteed aan het vrijmaken van een klein stukje,  zal ik er na verloop van tijd ook wel komen. Ik leg mezelf op om nog minstens een uurtje  verder te “ontbramen”, alles wat weg is, is weg en ik begin er terug aan bij de tot nu toe vergeten “takkenborder”.  Zoals verwacht hebben de bramen zich ook hier een weg weten te banen in de wirwar van takken. Ik zucht, houdt dit dan echt niet op.  Ik  pak een aantal bramentakken stevig vast en na één ruk, zonder het goed te beseffen wat er gebeurt, staar ik naar een bramenwortel . Nee , echt ! Ik  volg de tak naar een volgende wortel en lap, opnieuw haal ik de wortel boven zonder enige moeite. Ha, ha, niks varkens  ! Eat that, Sepp Holzer !  Als ik wat takken aan de kant duw, zie ik mooie rulle aarde, losgewerkt door al het bodemleven, je  kan er meteen  in  planten als je wil.  Mijn oog valt op de narcissen die er blijkbaar niet van weerhouden  werden de weg naar het licht te vinden door de takkenhoop heen. Brandnetels zijn er nog wel, maar een pak minder dan vorige jaren en wat ik aan brandnetel zie, kan ik met hetzelfde gemak als de  bramen met wortel en al uittrekken.

P1010651

Opeens is alles weer mogelijk.  Snoeien, neerleggen waar nodig , een jaartje  de natuur zijn werk laten doen en  dan planten.  Geen luidruchtige bosmaaiers,  geen wegslepen van snoeisel, (behalve de bramen dan) geen gespit, geen aanslepen van karton, compost of hooi als mulch en geen uren aan de hakselaar. De perfecte gesloten kringloop met een minimum aan energie input. Je moet alleen in staat zijn geduld op te brengen en je er niet aan ergeren dat de toekomstige perken er een tijdje uitzien als alleen maar een  hoop takken.

De ultieme oplossing ?

Mirakeloplossingen  bestaan niet, net zoals het een fabeltje is dat met permacultuur het fruit je in je mond zal vallen terwijl je in je  hangmat ligt tot de natuur het werk voor jou doet.   Een bramenbosje van een halve meter hoog zal je niet weg krijgen door er een hoopje takken op te kieperen, net zo min zal je er na 4 weken pompoenen op kunnen kweken.  Toen ik de eerste keer de hierboven vermelde blog las, begreep ik ook niet helemaal hoe dat kon,  op een hoop takken groenten telen, tussen mulch van verhakseld hout tot daar aan toe, maar volledige takken ? Ik hield  echter geen rekening met de factor tijd.  Als je een jaartje  kunt wachten of misschien wel langer en de vlijtige micro-organismes en schimmels de tijd gunt om hun werk te laten doen, dan denk ik dat deze luie methode op veel plaatsen goeie resultaten kan opleveren, zonder gebroken ruggen of door benzine aangedreven motoren.   Het hangt ook een beetje af van wat je precies verwacht van de plek waar je deze methode  toepast.  Zelf streef ik naar een voedselbos als tuin, ietwat wild met veel vaste eetbare planten, bessenstruiken en fruitbomen. Hoofdzakelijk houtige planten dus, die de voorkeur geven aan bodems waar vooral schimmels de bovenhand halen en juist schimmels beschouwen zo’n takkenhoop als een gigantisch eetfestijn.  Uit budgettaire overwegingen probeer ik de meeste van mijn planten te kweken vanuit zaad, ik heb dus nog tijd zat voor ik ze een definitief plaatsje moet geven.  Een moestuin  vol met eenjarige groenten gedijt beter op een bodem waar de bodembacteriën het grootste deel van de afbraakwerken op zich nemen en  de meesten onder ons zullen  het eens zijn dat je in zo’n geval beter kiest voor compost.  Worteltjes zaaien tussen half verteerde takken lijkt me niet echt een goede oplossing.   Het zou me trouwens niet verwonderen dat ook de huidige staat van de bodem invloed heeft op het al dan niet slagen van deze methode. De bodem onder mijn wilgen krijgt  jaar op jaar een gulle gift van afgevallen blad en tak, de juiste bodemorganismes zijn  dus al aanwezig,  ik heb ze alleen het voedsel van pakweg 8 seizoenen in één keer gegeven .  Ik heb er geen idee van wat deze methode doet op een uitgeput maïsveld of een aangevoerde bodem in een nieuwbouwwijk.  Maar laat deze bedenking u vooral niet tegen houden om het uit te proberen, ik heb het ook eerst moeten zien om het te geloven.